Herbergzame samenleving

Scandinavië stelde het eerst zijn grenzen open voor de slachtoffers van het bewind van Milosevic, direct gevolgd door Turkije, dat meteen al grote aantallen Kosovo-Albanezen opnam. Duitsland liet duizenden Kosovaren toe, van wie een deel herenigd kon worden met familieleden, die al sinds de oorlog in Bosnië in Duitsland woonden. In Frankrijk konden de vluchtelingen ook rekenen op een massale gastvrijheid.

Aanvankelijk had de Franse regering de boot afgehouden, maar premier Jospin kwam daarvan terug en riep de bevolking op woonruimte af te staan om de Kosovaren tijdelijk op te vangen. Meer dan honderdduizend Fransen reageerden positief en stelden spontaan een deel van hun huis beschikbaar. De Belgen openden eveneens spontaan hun gemoed voor de Kosovaarse vluchtelingen. In Vlaanderen registreerde de VRT een uitgelopen dorpsgemeenschap die op straat een haag vormde om een binnenrijdende bus met Kosovaren met applaus te verwelkomen, terwijl een samen met de commerciële VTM georganiseerde tv-actie voor Kosovo een recordbedrag opbracht. En wat deed officieel Nederland?

Het keek de kat uit de boom.

Nederland stelde zich op het standpunt dat het geen eigen oplossingen moest verzinnen teneinde het Europese beleid niet te doorkruisen. Europees beleid was het wachtwoord voor: opvang in de regio. Afwijkend beleid (particuliere acties dan wel improvisaties van overheden) zou Milosevic in de kaart spelen, want die zag `zijn' Kosovo-Albanezen het liefst naar de verstgelegen Europese gastvrijheid emigreren. Als Nederland de Kosovaarse vluchtelingen zou opnemen, zou Milosovic in feite zijn zin krijgen. Maar de nood wachtte niet op de uitkomst van het trage EU-beleid en Milosevic kreeg zijn zin.

Van alle landen van de Europese Unie heeft Duitsland tot dusver met de grootste humanitaire daadkracht op de misère van de Kosovo-Albanezen gereageerd. Duitsland had al tienduizend vluchtelingen opgenomen toen Nederland nog niets had gedaan en ook niet van plan was in actie te komen, zolang de vluchtelingenorganisatie van de VN geen oproep tot de Europese landen had gedaan. Minister Korthals, de schraalhans van het Nederlandse toelatingsbeleid, belde nog een rondje Europa en wilde de handen niet uit te mouwen steken voordat er op internationaal niveau afspraken over de verdeling van de vluchtenlingenlast zouden zijn gemaakt.

Intussen bleef het tentenkamp in Ermelo leeg, totdat Nederland gevraagd zou worden Kosovaren op te nemen. Beschamender tegenstelling tussen de Duitse kampioen van de doortastendheid en de dadenloosheid van het inerte Nederland – `gidsland' op het gebied van de mensenrechten – is moeilijk denkbaar. Voor vluchtelingen heeft Duitsland zich na de oorlog in Bosnië ontegenzeggelijk een herbergzamer samenleving getoond dan Nederland.

Het kabinet-Kok heeft met zijn afwachtende houding verdiende kritiek van de Tweede Kamer gehad, die culmineerde in de door Rosenmöller bedachte, door velen onderschreven, misprijzende kwalificatie `miezerig'. Het kabinet heeft zich die kritiek in zoverre aangetrokken dat het zijn toelatingsbeleid in ieder geval heeft verruimd. De duizend à tweeduizend Kosovo-Albanezen die inmiddels onderweg naar Nederland zijn, vormen niet meer dan een druppel op de gloeiende plaat, maar staatssecretaris Cohen (geen slechte toekomstige opvolger van Kok) heeft de mogelijkheid van grotere aantallen opengelaten. Langzaam maar zeker lijkt de Nederlandse regering dus over de brug te komen.

Die verandering van beleid is niet in de laatste plaats ook door een aantal externe factoren bewerkstelligd. Ten eerste door de fact finding mission van GroenLinks-fractievoorzitter Paul Rosenmöller in Macedonië en Albanië, wiens persoonlijke waarnemingen over de gammele bewerktuiging van de VN-vluchtelingenorganisatie op de plaatsen des onheils het Haagse vertrouwen in snelle VN-oplossingen enigermate hebben doen wankelen. Ten tweede door de tranen van prinses Margriet, die ook in Albanië de lokale hulpverlening heeft geïnspecteerd en met dezelfde alarmerende berichten is thuisgekomen. En ten derde door een aantal gemeentelijke en particuliere hulpverleningsinitiatieven, die op een veel breder maatschappelijk draagvlak voor vluchtelingenopvang wijzen dan de regering in haar voorzichtige ramingen heeft verondersteld.

Het is een geruststellende gedachte dat tal van gemeentebesturen en particuliere comité's in Nederland weten wat ze moeten doen zodra de nood aan de man komt en niet verlamd raken door bureaucratische behoedzaamheid. Zo toonde de gemeente Oostzaan het afgelopen weekend een gezonde afkeer van supranationale ponteneurs en EU-competenties door niet de uitkomst van het getreuzel van de regering af te wachten, maar haar eigen gang te gaan. Ze beet het spits af met een initiatief dat op de geestdriftige steun van de plaatselijke bevolking kan rekenen. Oostzaan wil samen met Purmerend en Amsterdam-Noord in het recreatiegebied Het Twiske prefab-woningen neerzetten, waarin een groot aantal Kosovaren tijdelijk kan worden ondergebracht. Die voorziening biedt aanzienlijk meer leefbaarheid dan de huisvesting die de vluchtelingen in Ermelo krijgen. Daar zijn inmiddels betere accommodaties in gereedheid gebracht dan de legertenten die in 1997 bijna in de najaarsmodder van een Defensieterrein wegzakten, maar tenten zijn tenten en geen huizen. Volgens een woordvoerder van Oostzaan zijn de mensen door alles wat ze de laatste weken op de televisie over Kosovo hebben gezien veel meer doordrongen van de noodzaak om hulp te geven. Dat bleek ook elders het geval te zijn.

Volgens de Vereniging van Nederlandse Gemeenten kunnen zeker vijfduizend gevluchte Kosovaren op korte termijn onder de pannen worden gebracht. Dat is goed nieuws in barre tijden. Nederland is op de keper beschouwd herbergzamer dan de regering ons heeft willen doen geloven.