Feyenoord

Nu Feyenoord weer eens kampioen van Nederland is geworden vliegt het verleden me weer naar de keel. Toen ze nog aan de Kromme Zandweg speelden (dus voor 1937) kon hun geduchte back Kees van Dijke zich thuis verkleden. Hij was de man die tijdens zijn duel tussen Belgen en Nederlanders de bal uit het Nederlandse doel sloeg en zijn gerechte straf (een strafschop) ontliep doordat de scheidsrechter als enige de wandaad niet had geconstateerd. Je hebt van die alleszieners die falen als er werkelijk iets belangrijks dient te worden waargenomen. Zo had ik een kennis die werkelijk alles van boksen wist. Maar de knock-out van Luc van Dam in Engeland tegen ene Turpin kon hij niet zien, want toen bukte hij zich net om zijn gevallen programma op te rapen. Toen hij weer naar de ring keek, lag Van Dam daar voor meer dan tien tellen.

Dergelijke types zag je bij Feyenoord weinig. Veel nuchtere, efficiënte jongens en mannen. Daar was bijvoorbeeld Cor Kieboom, de voorzitter. In zijn bruine ogen gloeide vaak iets dat richting glimlach ging, maar dat betekende niet dat hij geen nuchtere Rotterdammer was. Ooit nam hij het halve Holland Sport voor een appel en een ei over door er precies op het goeie moment in te springen. Hij werd omringd door mensen met (modern gezegd) dezelfde insteek.

Bas van Krimpen, de stadiondirecteur, was er ook zo een. Die had iets effens over zich, dat zelden verstoord werd door boosheid of andere emoties. Alleen toen na een te lange winter zijn stadionveld geprepareerd moest worden om de jaarlijkse interland tegen België op het afgesproken tijdstip te kunnen laten doorgaaan en het sneeuwveld door allerlei vreemdsoortig uitziende apparatuur werd besprongen, werd hij zeer bleek van pure ontstemming. ,,Dit nooit meer,'' mompelde de directeur van de Kuip.

Guus Brox, een tijdlang bestuurslid en later manager, had wel iets lossers in de aanbieding. Jovialiteit was hem niet vreemd. Maar toen een relatie hem de karakterkwaliteiten van Feyenoords selectie iets te nadrukkelijk aanprees, versomberde hij snel. Hij had er kennelijk geen hoge pet van op.

Zo is Feyenoord altijd een nuchter gezelschap geweest, al was er altijd wel een potentiële lolbroek in de ploeg. Henk Schouten bijvoorbeeld, die met oud-Feyenoord in Lissabon tegen oud-Benfica mocht spelen. De vooroorlogse ster Puck van Heel, die mocht terugzien op 64 interlands, reisde als supporter mee. Van Heel was intussen een zeventiger en reageerde afwijzend op het quasi-verzoek van de ploeg om een halve helft mee te spelen. ,,Kom op, Puck'', kraaide Schouten. ,,We slepen je er wel door.''

Je hoort veel mensen in herinnering aan het Feyenoord van toen zeggen dat het de ploeg van Coen Moulijn was en in mindere mate van andere technisch hoogbegaafden als Schouten en Cor van der Gijp. Maar ik heb dat altijd slechts de helft van de waarheid gevonden. Toen de Rotterdammers in mei 1970 Celtic overwonnen door een doelpunt van Ove Kindvall in de 116de minuut, vormden de beulsknechten Rinus Israel en Theo Laseroms de basis van hun defensie en was Willlem van Hanegem een van de drijvende krachten op het middenveld. Ondanks de techniek, de snelheid en de speelsheid van Moulijn was Feyenoord als geheel toen beslist geen week elftal.

Het zou best kunnen dat het huidige elftal minder sterk leunde op pure lichaamskracht dan de ploeg van destijds, hoewel het internationale voetbal sinds de jaren zeventig harder en onverzoenlijker is geworden. Volgens mij moet Feyenoord altijd iets Rotterdams blijven uitstralen, waar de spelers ook vandaan komen. iets onbuigzaams ook.