EU-parlement krijgt minder vergoedingen

De lidstaten van de Europese Unie zijn het gisteren eens geworden over een nieuw statuut voor de 626 leden van het Europees Parlement. Ze stemmen in met een bruto-maandinkomen van 5.677,22 euro (ƒ12.510,95) voor de Europarlementariërs.

Dat komt overeen met het gemiddelde van de huidige uiteenlopende inkomens, en is vorig jaar door het parlement zelf voorgesteld. De Europarlementariërs krijgen een Europese belasting opgelegd van gemiddeld 22,5 procent. Daarmee houden ze van hun bruto-salaris ongeveer ƒ10.000 over.

Denemarken, Finland, Zweden en Groot-Brittannië vinden dat de Europarlementariërs met het overeengekomen statuut te veel gaan verdienen. Deze landen kunnen deze week besluiten om in hun land woonachtige Europarlementariërs een extra nationale belasting op te leggen. Ze mogen zelf beslissen of ze die belasting in de nationale schatkist storten of naar Brussel sturen. Nederlandse Europarlementariërs gaan er in vergelijking met de oude situatie iets op vooruit. Hun brutomaandsalaris blijft lager dan dat van hun collega's in de Tweede Kamer, die een brutomaandsalaris hebben van ƒ13.600. Netto houden de Euro-parlementariërs door het verschil in belastingtarieven echter meer over dan de Tweede-Kamerleden.

Het akkoord dat de EU-ministers van Buitenlandse Zaken gisteren bereikten over het statuut, wijkt op één belangrijk punt af van het ontwerp dat het parlement zelf opstelde. Het parlement wilde de nieuwe financiële regeling laten ingaan voor Europarlementariërs die in juni nieuw worden gekozen. Zittende parlementariërs zouden voor de komende periode mogen kiezen welke regeling zij voor zichzelf het aantrekkelijkst vonden, de bestaande of de nieuwe. Die overgangsregeling is nu geschrapt.

Het Europees Parlement kan bij een stemming volgende week het gisteren overeengekomen statuut alleen aannemen of verwerpen. Staatssecretaris Benschop (Europese Zaken) ging er gisteren vanuit dat het parlement zal instemmen, al was het maar om vlak voor de Europese verkiezingen van juni te voorkomen dat schandalen over gesjoemel met onkostenvergoedingen weer worden opgerakeld.

Verder is gisteren afgesproken dat in de bestaande onkostenvergoedingen voor Europarlementariërs wordt gesnoeid. Onkosten zullen alleen na overlegging van bewijsstukken worden uitbetaald. Alleen een dagvergoeding van 231 euro (ƒ509,06) voor het bijwonen van vergaderingen blijft bestaan. Parlementariërs die in Brussel of Straatsburg wonen, ontvangen deze vergoeding niet als daar wordt vergaderd. De bestaande pensioenregeling wordt versoberd.

Op aandringen van Nederland is in het statuut opgenomen dat nevenfuncties van Europarlementariërs in een openbaar register moeten worden vermeld. Nieuw is ook dat de – in Nederland gebruikelijke – gelijke behandeling bij pensioenrechten van gehuwden en parlementariërs met samenlevingscontracten wordt overgenomen.