Bijlmerrapport neemt onrust niet weg

Het Bijlmerrapport wekt de valse hoop dat de aard van de gezondheidsklachten nu kan worden gevonden, menen Jan van den Bout en Johan Havenaar.

De parlementaire enquêtecommissie over de Bijlmerramp opende haar verhoren steeds met de mededeling dat het doel van de commissie was ,,waarheidsvinding en het trekken van lessen voor de toekomst''. Inmiddels is het rapport van de commissie verschenen. In de inleiding van dit rapport wordt vermeld dat ,,het antwoord op de vraag of er een verklaring kan worden gevonden voor de klachten van bewoners en hulpverleners centraal heeft gestaan''. De commissie heeft ontegenzeggelijk belangrijke feiten aan het licht gebracht en geruchten ontzenuwd. Ze heeft belangrijke documenten achterhaald en complottheorieën uit de wereld geholpen. De vrees dat er op grote schaal mensen zijn blootgesteld aan schadelijke stoffen is gelukkig niet bewaarheid. De enquête en het rapport zijn dan ook van grote betekenis voor de getroffen bewoners en hulpverleners: zij zijn gehoord en hun problemen zijn erkend. Ontnuchterend is ook het beeld van de verkokering in delen van ambtelijk Nederland dat wordt geschetst.

Helaas moet geconstateerd worden dat de enquêtecommissie het antwoord op de vraag of er een verklaring is voor de gezondheidsklachten van de bewoners en hulpverleners schuldig blijft. Weliswaar trekt de commissie onomwonden de conclusie dat er een directe relatie bestaat tussen gezondheidsklachten (let wel: niet de gezondheidsklachten) en de ramp, maar het blijft onduidelijk welke klachten zij bedoelt en hoe die directe relatie er dan uitziet. De eindconclusie is daarbij ook opvallend scherper dan de conclusies in het hoofdstuk over de gezondheidsklachten zelf. Daarin wordt alleen over de psychische klachten duidelijk gezegd: ,,Er is een directe relatie tussen psychische klachten, waaronder PTSS (posttraumatische stress-stoornissen) en de Bijlmerramp''. Voor de overige klachten is de commissie veel terughoudender. Zo stelt zij bijvoorbeeld over de schadelijke stoffen die bij de brand kunnen zijn vrijgekomen: ,,Voor grote groepen zijn hier geen chronische gezondheidsklachten uit voortgekomen''. Voor verarmd uranium wordt een soortgelijke conclusie getrokken. De formulering van de eindconclusie wekt echter de indruk, zelfs zonder het woordje `de', dat er wel degelijk een verklaring is gevonden, namelijk een causale relatie tussen de ramp en klachten. Hoe die relatie er precies uitziet, wordt echter niet vermeld. Onder de kop `Ziektebronnen' worden namelijk slechts het vrijkomen van giftige stoffen bij de brand en het verarmde uranium behandeld, met als conclusie dat niet is uit te sluiten dat dit bij (enkele) individuele gevallen tot gezondheidsschade heeft geleid. Ook een beperkt aantal gevallen van auto-immuunziekte levert geen plausibele verklaring op voor de honderden mensen met klachten. Woorden als `stress' of `psychosociale factoren' als mogelijke oorzaak van de gezondheidsklachten vallen, behalve dan voor PTSS, op door afwezigheid. Het is niet goed te begrijpen waarom de commissie, na zo'n intensieve zoektocht naar een verklaring voor de klachten, zich hier uiteindelijk niet helder over uitspreekt. Het lijkt haast of `stress' als verklaring taboe is. Terwijl de commissie toch bekend was met de ervaringen met andere `man-made' rampen. In de tweede tussenrapportage van het AMC is daarover bijvoorbeeld te lezen: ,,Een belangrijke factor die kan leiden tot een toename en langere persistentie van gezondheidsproblemen is de stress die kan ontstaan ten gevolge van de `afhandeling' van de ramp. Dergelijke stress kan bijvoorbeeld ontstaan bij: onzekerheid (over de oorzaak, eventuele toxische blootstelling, etc.), onrust in de media, maatschappelijke discussie en tegenstrijdigheid van de berichtgeving''. Dat lijken toch zaken die rond de afhandeling van de Bijlmerramp duidelijk herkenbaar zijn, de periode van de enquête incluis.

In haar streven om de mensen met klachten erkenning te geven heeft de commissie geprobeerd duidelijkheid te verschaffen, waar dit echter (nog) niet goed mogelijk is. Tot op heden zijn er alleen één waarschijnlijke en een heleboel `niet uit te sluiten' verklaringen. Het is jammer dat de commissie het niet heeft aangedurfd die meest waarschijnlijke oorzaak duidelijk bij de naam te noemen, namelijk: psychosociale stressfactoren. Door dit te vermijden, versterkt het rapport onbedoeld het beeld dat klachten die met `stress' of `angst' samenhangen niet echt meetellen. Ook ontstaat hierdoor het serieuze gevaar dat er verkeerde verwachtingen worden gewekt bij de mensen die klachten hebben. Velen van hen geloven nog steeds dat blootstelling aan nog onbekende toxische en/of radioactieve stoffen de oorzaak is van hun klachten. Geheel ten onrechte wordt bij hen nu de hoop gewekt dat er nu eindelijk een lichamelijke oorzaak van hun klachten zal worden opgespoord en dat genezing of verlichting mogelijk zal zijn. Helaas is de kans dat die verwachtingen uitkomen klein en is er een

reëel gevaar voor voortsmeulende onrust en onzekerheid. Die duidelijkheid over de rol van psychosociale stressfactoren is ook nodig om de conclusie van de commissie te begrijpen volgens welke ,,Traagheid en onderschatting bij lokale en landelijke overheden [...] uiteindelijk de klachten in aantal en aard [hebben] doen toenemen''. Het mag dan plausibel zijn om de overheid verantwoordelijk te houden voor de onrust en onzekerheid rond de gezondheidsklachten na de ramp, maar dan dient men echter ook de rol van andere (f)actoren, zoals de media, de belangenorganisaties en de enquêtecommissie zelf niet uit het oog te verliezen. Van verschillende kanten is er reeds op gewezen dat de enquête en al de media-aandacht die zij met zich meebracht, naast een louterende werking, ook een traumatische, onrustverhogende uitwerking had. Met de alarmerende berichten dat er gif en explosieven aan boord waren, wat later niet waar bleek, met tegenstrijdige berichten over de ladingspapieren en met breed uitgemeten tegenstrijdige verklaringen van deskundigen, waren ook tijdens de verhoorperiode van de enquête de gewraakte onduidelijkheid, onvolledigheid, ontijdigheid en onjuistheid af en toe griezelig herkenbaar. Dit valt de enquêtecommissie niet te verwijten, maar het maakt duidelijk hoe moeilijk het is om dit voor giframpen zo kenmerkende patroon van onrust te beteugelen, ook voor de overheid. Het valt dan ook te betwijfelen of de uitkomst van de enquête, inclusief het aanwijzen van zondebokken, zal helpen om de maatschappelijke onrust tot bedaren te brengen.

Hoe nu verder? Uiteindelijk gaat het er om dat de mensen met klachten zo goed mogelijk geholpen worden. De beurt is nu aan de Tweede Kamer, die nadere vragen zal stellen en daarna de conclusies en aanbevelingen van de commissie al dan niet zal overnemen. In het najaar zal begonnen worden met het door het ministerie van VWS beloofde gezondheidsonderzoek. Het is daarbij belangrijk dat iedereen, en met name de betrokkenen, helder voor ogen staat wat men van dat onderzoek mag verwachten en wat niet.

`Waarheidsvinding' houdt ook in dat uiteindelijk aanvaard zal moeten worden dat sommige zaken niet meer uit te zoeken zijn. Dat geldt zeker voor de oorzaak van individuele ziektegevallen.

Het enquêterapport is af, maar te vrezen valt dat het Bijlmerdossier nog lang niet gesloten is. De toekomstige medisch onderzoekers staan voor een aanzienlijk dilemma, aangezien ieder verder onderzoek, net als het AMC-onderzoek en de parlementaire enquête, nieuwe vragen en nieuwe onrust zal oproepen. Men zal enerzijds de klachten serieus willen nemen en anderzijds niet verder willen bijdragen aan potentieel ziekmakende geruchten of aan het hertraumatiseren van de getroffen bevolking. Een klachtgerichte individuele benadering zal voor betrokkenen waarschijnlijk de meeste voordelen hebben, waarbij het uiteindelijke uitgangspunt moet zijn om een verbetering in de situatie van betrokkenen te bereiken. Daarbij zullen zij er ook over voorgelicht dienen te worden dat oorzaken van klachten vaak niet achterhaald kunnen worden en dat `stress' in veel gevallen een belangrijke rol speelt, waar bovendien heel vaak wat aan te doen is.

Prof.dr. J. van den Bout is als klinisch psycholoog verbonden aan de Universiteit Utrecht. Dr. J.M. Havenaar is psychiater bij het Universitair Medisch Centrum Utrecht.