SJU-Festival biedt te weinig echt nieuwe jazz

,,Dit is pas ons derde optreden in deze tour; we moeten dus nog een beetje aan elkaar wennen'', verontschuldigde drummer Bobby Previte zich nadat zijn kwintet de eerste drie nummers erop had zitten. Maar excuses hadden niet gehoeven. De groep maakte zijn rol als spectaculaire afsluiter van het vier dagen durende SJU Jazz Festival in Vredenburg gisteravond meer dan waar.

De band van Previte bewoog zich via zorgvuldig opgebouwde spanningsbogen van de ene climax naar de volgende. Meanderend langs eigenzinnige melodielijnen en explosieve solo's deden de muzikanten smeulende blues, stomende swing en oplaaiende rockpassages aan. Hoewel het merendeel van het gespeelde repertoire afkomstig was van de meer dan tien jaar oude cd Pushing the Envelope, klonken Previte en band fris en spannend.

Veel van de andere optredens op het festival, dat zich in ons land afficheert als staalkaart van al wat hip en nieuw is in de jazz, bezaten nog geen fractie van Prevites vitaliteit.

David Murray, de grote naam van het zaterdagprogramma, bewees een saxofonist van de eerste orde te zijn maar zijn optreden straalde een rommelig soort informaliteit uit, benadrukt door het oerlelijke trainingspak waarin hij over het podium slenterde.

Het repertoire waar de tenorsaxofonist zijn nieuwe octet mee presenteerde bestond vrijwel geheel uit overbekend werk van John Coletrane. Ook pianist Marc Copland kwam creatief niet veel verder dan een interpretatie van standards. Met technisch knap maar verder monotoon spel wist zijn trio zeker geen anderhalf uur lang te boeien. Dat gold ook voor de introverte abstracties van het stertrio Crispell/Peacock/Motian.

Het leek wel of het gros van de buitenlandse muzikanten - allemaal Amerikanen dit keer - leden onder de wet van de remmende voorsprong. Verder dan het herkauwen van een grootse jazztraditie kwamen zij veelal niet. De lef zich eraan te onttrekken en daadwerkelijk iets nieuws te doen was voorbehouden aan de twee Nederlandse groepen.

Zo paarde Utrecht Deep Artment niet-westerse invloeden aan jazz en improvisatie in een opwindend muzikaal hoorspel. Speelgoedtoeters, uitgekiende polyritmiek en absurdistische teksten verenigden zich in een kakofonische vloedgolf die door bandleider Michael Baird zelf wordt aangeduid met de term `voodoojazz'.

Splinternieuw was de compositie Ere Ibeji, door pianist Martin Fondse in opdracht van de VPRO geschreven voor zijn Octemble. Uit zeven onderling verwante delen construeerde de groep het Nigeriaanse tweelingbeeld, waarnaar de titel verwijst. De lange, compositorisch complexe, stukken werden onderbroken door `emi's' - Yoruba voor adempauzes - die variëerden van hilarische dixielandpersiflages tot niet meer dan een letterlijke, collectieve zucht.

Het cellospel van gastmuzikant Ernst Reijseger was zo volledig geïntegreerd met het groepsgeluid dat je zou denken dat het Octemble van huis uit een Nonemble is. Binnen Fondse's strakke compositie bleek zelfs nog ruimte voor een deels geïmproviseerd duet tussen Reijseger en de bandleider. Fondse's eigen verbazing hierover werd door de cellist treffend gepareerd: ,,Doet er niet toe, als de noten maar goed zijn.''

SJU Jazz Festival. Gehoord: 22/4-25/4 Kleine Zaal Vredenburg, Utrecht. Radio: opnamen op Radio 4 op zondagen en woensdagen in juni, 23-24 uur.