Schikgodinnen

Niet alleen God maakte mensen uit klei, ook Prometheus deed dat. De aarde was nog leeg, de goden vlogen er overheen, zaten eens op een berg, keken eens in een bron waar een nimf woonde. De zee was van Poseidon, de onderwereld van Hades, de hemel van Zeus. De aarde was van niemand. Tot Prometheus begon te kleien. In het boek De god beneden de zee, een navertelling van de Griekse mythen door Leon Garfield en Edward Blishen, wordt dat verhaal, dat uit vele flarden en elkaar tegensprekende interpretaties bestaat, tot een mooi geheel samengekneed. We zien er Prometheus in aan het werk, bezig de mensen te scheppen naar goddelijke gelijkenis. Zijn schepselen komen tot leven, ze groeien uit tot de juiste proporties en dan lopen ze weg om hun leven te gaan leiden. Maar op hetzelfde moment dat de mensen geschapen worden, begint het spinnewiel van de schikgodinnen te draaien. En de mensen lopen nog niet of de eerste draad wordt afgeknipt. De eerste dode valt. Hermes haalt hem op om hem naar het rijk van Hades te brengen en almaar vraagt die ene schim hem `Waarom? Waarom?' Hermes vertelt daarover aan Prometheus: ,,Hij wist niks; had niet langer dan een oogwenk geleefd – en voelde toch de enorme omvang van zijn verlies.''

Hij vraagt aan Prometheus of ze al zijn inspanningen wel waard zijn die mensen ,,ze zijn zo erbarmelijk teer''.

Het is een mooi verhaal, verzonnen door mensen die gezien hebben hoe broos en nietig het menselijk leven is. Maar toch is het, tegelijkertijd, goddelijk – vertellen ze, hopen ze, denken ze. Wat dat precies betekent, dat goddelijke, is ook niet zo duidelijk, maar het moet op een bepaalde manier met onsterfelijkheid te maken hebben, zoniet individueel dan toch als soort. Individueel zijn we niet erg onsterfelijk. Het is een fluitje van een cent om een mensenleven te beëindigen, lachende scholieren kunnen het, dronken automobilisten, minieme kankercellen, scheldende soldaten, onnozele virussen. Er is altijd, maar dezer dagen meer in het bijzonder, ruimschoots voldoende demonstratie van hoe die schikgodinnen met een eenvoudig knipje een draad beëindigen, of een bosje draden.

De Poolse dichter Zbigniew Herbert schreef eens een gedicht waarin hij de gedachten `over bloed' van zijn personage Meneer Cogito opschreef. Meneer Cogito vertelt in dat gedicht dat men vroeger dacht dat de mens heel wat bloed bezat, wel een liter of twintig `een dikbuikig vaatje'. Vandaar, denkt meneer Cogito, `die overvloedig beschreven slagen/ velden rood als koraal/ wilde beken van bloed', vandaar ook de geneeskunst die dacht dat een mens flink op zou knappen als men hem maar van wat van dat vele bloed verloste. Nu weten we beter, gaat meneer Cogito verder, vier vijf liter, meer is het niet `een paar flessen Bourgogne/ een kruik/ een kwart/ van de inhoud van een emmer'.

`Weinig.'

Meneer Cogito verbaast zich erover (`naïef' schrijft de dichter) dat die nieuwe wetenschap geen ommekeer teweeg heeft gebracht, dat men vanaf toen niet besloten heeft `tot verstandige zuinigheid', tot terughoudendheid omdat er maar zo weinig van dat bloed is. Maar integendeel, men heeft besloten dat zo weinig bloed `een grootheid zonder betekenis' is, en is des te voortvarender aan de slag gegaan. Nu ze weten hoe makkelijk het is, de tirannen, de machthebbers, hoeven ze zich helemaal door niets meer te laten tegenhouden. `het bloed/ blijft stromen// overschrijdt de horizon van het lichaam/ de grenzen van de fantasie// – er komt vast een zondvloed.'

Dat laatste `er komt vast een zondvloed' kan men rustig voorspellen. Die komt altijd.

In een interview van Ger Groot met Hans-Georg Gadamer, haalt de laatste Aristoteles aan die gezegd heeft dat ,,de geschiedschrijving minder op waarheid gericht is dan de poëzie. Want de geschiedschrijving zegt alleen hoe de dingen gebeurd zijn, terwijl poëzie zegt hoe ze altijd gebeuren kunnen.'' Die waarheid, terwijl kunst verder erop los liegt dat het een aard heeft, maakt kunst, poëzie in dit geval, belangrijk. Poëzie kan niets veranderen, legt gewicht in geen enkele schaal, de meeste mensen kunnen gemakkelijk zonder – en toch is ze belangrijk en waar, op een manier waaraan maar weinig kan tippen.

Volgens Gadamer heeft dat te maken met de dichtheid, de concentratie van gedichten en schilderijen, die belangrijker is dan de waarheid van datgene waar ze naar verwijzen. Dat wil zeggen: het gaat niet vooral om wat er gezegd of getoond wordt maar het gaat om de manier waarop dat gebeurt. Door dat `hoe', door de vorm, wordt een kunstwerk iets dat op zichzelf staat en op zichzelf waar is. ,,Zodat je zelfs bij de uiterste verwoesting – daarom heb ik de Guernica als voorbeeld gekozen – ziet dat het kunstwerk is zoals het moet zijn.''

Er wordt nu hier en daar wel gediscussieerd over wat de rol van schrijvers moet zijn in deze oorlog, over hoe en waar zij zich zouden moeten uitspreken, `hun plaats moeten innemen in het publieke debat' en dergelijke. Marcel Möring reageerde op een vraag naar de rol van de schrijver terecht met de opmerking dat schrijvers niets meer of minder belangwekkends over de oorlog en de NAVO te beweren hebben dan ieder ander en dat hun rol die is van elke burger. Ze kunnen geld storten of pakketten maken, bidden of bellen, maar verder hebben ze geen rol.

Dat is een juist standpunt ten opzichte van de mythologie van de intellectueel die de weg zou wijzen. We hebben schrijvers voldoende gekke dingen zien doen om er niet naar te verlangen dat zij ons nu komen vertellen wat te denken en/of te doen. Dat wil niet zeggen dat hun niets te doen staat. Ze moeten schrijven. Kunst maken. Dat hoeven geen gedichten te zijn die `Kosovo' heten of `De NAVO bombardeert', het hoeven geen verhalen te zijn over dertiende-eeuwse Servische helden en hun strijd tegen de Turken – het moeten `ware' verhalen of romans zijn. Waar zoals de `Guernica', zoals de mythe van Prometheus en de mensen of waar zoals `Meneer Cogito's gedachten over bloed'.

Herbert schreef nog een ander gedicht dat nu bij uitstek actueel is. Het gaat over hoe moeilijk het is vast te stellen hoeveel mensen er omkwamen bij veldslagen ooit, bij natuurrampen of ,,in de strijd met onmenselijke machthebbers''. Terwijl precisie hier toch geboden is, nemen we genoegen met het honende woordje `ongeveer'. Die onwetendheid ondermijnt de realiteit van de wereld, ,,smijt haar in de hel van de schijn (–) die verkondigt er is geen verschil tussen substantie en schim''.

we moeten het dus weten

precies tellen

hen bij de naam roepen

Zo is het. Er is nog veel meer over te zeggen. Er is al heel veel gezegd, over de mens, zijn broosheid, zijn wreedheid, zijn onverschilligheid, zijn ellende. Maar er kan altijd meer over gezegd worden, allemaal ware dingen, allemaal belangrijk. Kunst is een bril waardoor we kijken. Daarzonder zien we nòg minder.