GOERNE

Voor de Duitse bariton Matthias Goerne behelst het zangersvak meer dan alleen plezier. Goerne werd opgeleid door onder anderen Dietrich Fischer-Dieskau, en dan is vergelijken verleidelijk - zeker bij Goerne's opname van de Liederkreis op. 39 en 12 Gedichte op. 35 van Robert Schumann. Het is repertoire waarin Fischer-Dieskau voor velen nog steeds geldt als de ongeslagen meester.

Fischer-Dieskau's opnamen van Schumanns liederen (DG 445 660-2) delen met de interpretaties van Goerne de sublieme afwerking en de aandacht voor de dichterlijke inhoud. Maar anders dan zijn leermeester wendt Goerne zijn strelende timbre niet aan voor directe tekst-illustraties, zoals Fischer Dieskau dat wel doet in het multiperspectivische Waldesgespräch. Fischer-Dieskau bootst het stemgeluid van de heks Lorelei na, Goerne zingt de tekst zonder timbreverkleuringen, maar met de inhoudelijk gewenste dramatische lading. In alle welvingen van zijn interpretaties eensgezind begeleid door pianist Eric Schneider, schetst Goerne een beeld van Schumann dat als vanzelf aanzet tot aandachtig luisteren. Auf einer Burg klinkt hier met snijdende intensiteit, Mondnacht bezit een ongrijpbare mystiek. Dat zijn slechts twee willekeurig gekozen voorbeelden, want ook in de 12 Gedichte, ontstaan na een liefdesweekend dat Schumann met zijn Clara beleefde, doet Goerne geen poging ongetemperde hartstocht (Lust der Sturmnacht) of verstilling (Alte Laute) tot salonfähige proporties af te vlakken. Goerne bewijst zich daarmee opnieuw als een van de koplopers van zijn generatie.

Schumann. Decca 460 797-2