Coolsingel

Heb ik iets met Feyenoord? Weinig, want voetballen, écht voetballen, kunnen ze niet en zullen ze ook nooit leren. Daarvoor moet je toch in Amsterdam zijn. Desondanks wilde ik gistermiddag opeens naar Rotterdam. De mythe van de Coolsingel – ik moest het zien.

Om vijf uur de trein gepakt en anderhalf uur later stond ik al op de Coolsingel, aan de rand van een nog steeds aangroeiende menigte. Ik bevond me ter hoogte van Monisima, de modezaak van Faas Wilkes en zijn vrouw. Een plek met een bijna symbolische waarde, want Faas is nu eenmaal een van de beste voetballers die Nederland ooit heeft gehad (hij heeft dan ook nooit voor Feyenoord gespeeld.)

Het werd vreselijk gezellig op de Coolsingel. Spreekkoren (,,Kampioenen! Kampioenen!''), liederen en vlaggetjes die steeds als een specht tegen je achterhoofd tikten. De massa bestond vooral uit jonge mensen – iedereen boven de veertig zit bij dit soort gelegenheden tegenwoordig huiverend thuis.

Als locatie voor een kampioensfeest viel de Coolsingel me een tikkeltje tegen. Het is een slurf tussen hoge gebouwen, geen plein waar je vanuit alle hoeken een goed uitzicht hebt op datgene waar het om gaat: de balkonscène. Als dictator met Mussolini-achtige aspiraties zou ik nooit de Coolsingel uitkiezen voor mijn toespraken.

We konden in de verte wat figuurtjes op het balkon ontwaren, maar het hadden ook de spelers van NAC kunnen zijn. De ceremoniemeester was nagenoeg onverstaanbaar, alleen de spelersnamen kwamen goed door. Rotterdam bleek vooral dol te zijn op `Kees-ie Kees-ie' van Wonderen en `Ber-tus Ber-tus' Konterman. Een mens leert leven met zijn beperkingen.

Toen werd het tijd voor de Grote Ontroering. Lee Towers zette met zijn machtige havenloods-bariton `You'll never walk alone' in, en het was alsof we met onze 200.000 kelen de eeuwigheid in deinden. Er was voor altijd vrede op aarde, de Coolsingel was onze tuin van Eden en Ulrich van Gobbel zag er als Gods rechterhand op toe dat het ons aan niets zou ontbreken.

Omstreeks acht uur werd het me te machtig en begon ik door de aanpalende buurten te dwalen. Toen pas viel het me op dat het vooral een kampioensfeest was van blank Rotterdam. In de straten achter de Coolsingel hing allochtoon Rotterdam een beetje sceptisch rond.

Een uurtje later keerde ik voldaan huiswaarts. De stemming op het station was rustig, nergens een spoortje van agressie. Eén ding, bedacht ik, moet je Rotterdammers nageven: ze kunnen vreedzaam feestvieren. Of niet soms?