Verdediging van eer vraagt om meer

De NAVO-bombardementen leiden alleen maar tot een gevaarlijke escalatie van het geweld en zijn slechts bedoeld om het zelfrespect van het bondgenootschap te redden, vindt Paul Scheffer. Vooralsnog worden door het Westen op de Balkan geen nieuwe regels geschreven, maar oude regels geschonden.

Thucydides schreef in zijn Peloponnesische Oorlog over de drie motieven om ten oorlog te trekken: vrees, eigenbelang en eer. Van alle kanten is ons bezworen dat vrees voor de eigen veiligheid niet de reden is voor de bombardementen op Belgrado. Verder wordt ons verzekerd dat er geen belangen zijn die het Westen op de Balkan najaagt, zoals grondgebied of economisch gewin. Blijft dus over eergevoel, in modernere taal zelfrespect. En inderdaad, er is veel voor te zeggen dat het daar om gaat in Kosovo.

Iedereen raakt in de ban van de oorlog. Zelfs degenen die achteraf wijs zeggen dat het geen goed idee was om een oorlog tegen Joegoslavië te beginnen, verkondigen dat we moeten doorgaan, want niets lijkt erger dan verliezen of een waterig vergelijk. Ze vinden nu wat de NAVO vanaf het begin heeft gezegd: eens komt het moment dat er `iets' moet worden gedaan, anders is het gezichtsverlies niet te overzien.

De inzet, de eisen en de toon worden met de dag hoger. Dat zien we aan de `humanitaire haviken', die niet ophouden te benadrukken dat een nieuwe Hitler en een nieuwe volkerenmoord `in het hart van Europa' niet kunnen worden toegestaan. Volgens de Herald Tribune hangt Clinton zijn presidentschap nu geheel aan deze oorlog op. En Blair spreekt voortdurend over `appeasement', de historische fout van München 1938, toen zijn voorganger Chamberlain probeerde om de Duitse Führer tot een vergelijk te bewegen. Zo worden elementaire verschillen over het hoofd gezien: Miloševic is niet meer dan een lokale dwingeland, zo men wil een oorlogsmisdadiger, zonder ambities buiten zijn eigen grenzen. Gevreesd moet worden dat we op de valreep van deze eeuw vooral bezig zijn met een oorlog tegen het verleden.

Wie niet wil bezwijken voor de druk die de stortvloed van slecht nieuws op het geweten legt, moet tal van morele vragen beantwoorden.

Om te beginnen behoort het gebruik van geweld te worden gemeten aan het klassieke leerstuk van de proportionaliteit. Zijn het gebruikte middel en het doel dat men wil dienen, enigszins in evenwicht? Staan het gehanteerde geweld en vooral ook de risico's die daarmee in een wijder verband worden gelopen in verhouding tot de schendingen van de mensenrechten die men zegt te willen tegengaan? Het antwoord kan nu worden gegeven: de verhoudingen zijn volledig zoek.

Dat wordt alleen al duidelijk wanneer men zich een voorstelling maakt van de gevolgen van deze oorlog voor de binnenlandse verhoudingen in Rusland. Het humanitaire belang van het verdrijven van het autoritaire bewind dat Miloševic voor de oorlog in Kosovo uitoefende, staat niet in verhouding tot het risico van een machtsverschuiving in Moskou ten gunste van de rood-bruine patriotten. Wat als straks bij de verkiezingen van dit najaar de nog enigszins op het Westen georiënteerde politici het verliezen, mede omdat ze geschoffeerd zijn tijdens de Kosovo-crisis? Welke gevolgen heeft dat voor de veiligheid in de wereld? Hoort zo'n afweging niet thuis in een morele oordeelsvorming?

Daarbij spreken we nog niet over de gevolgen voor de buitenlandse politiek van Rusland op een kortere termijn. Terwijl we het normaal vinden dat het Westen de gevangene is geworden van zijn eigen dreigementen – ,,we kunnen niet eeuwig blijven waarschuwen'' –, zo vanzelfsprekend lijken we het te vinden dat Rusland gelaten blijft toezien hoe de NAVO orde op zaken stelt. De Russen mogen wel dreigen, maar kunnen toch niets doen en zullen derhalve het gezichtsverlies voor lief nemen. Nog steeds overheerst het gevoel: met de Russen komt het wel goed. Ook al zou dat over enkele maanden waar blijken te zijn, dan nog kan nu worden gezegd dat het risico dat met de labiele Russische samenleving is genomen niet kan worden gerechtvaardigd. De oorlog tegen Joegoslavië roept ook andere vragen op. Zelfverdediging is een rechtvaardigingsgrond voor het gebruik van geweld. Wie wordt bedreigd heeft het morele recht om zich te verweren. Door voorstanders van deze oorlog wordt het graag zo voorgesteld dat deze zelfbeperking louter uit eigenbelang is voortgekomen. Rechtvaardigheid dwingt toch tot de gedachte van humanitaire interventie en dat is in uiterste consequentie een ander woord voor oorlogsvoering in een soeverein land om de mensenrechten te beschermen.

Hebben degenen die nu een veel ruimere toepassing van geweld voorschrijven het gelijk aan hun kant? Nee, want de beperking van de NAVO tot defensieve daden had óók een morele betekenis, namelijk het afscheid van de aanvalsoorlogen die in Europa zo'n ruïneus spoor hebben getrokken. Het gemak waarmee nu wordt gezegd ,,we moeten bombarderen'' en als dat niet helpt ,,blijft slechts een grondoorlog over'', laat zien hoe het geweten een uitweg zoekt in geweld.

Dat gaat overigens niet zonder slag of stoot. We leven in ons deel van de wereld in een situatie van `eeuwige vrede', althans het wordt niet voor mogelijk gehouden dat de landen die tezamen de Europese Unie vormen, elkaar te lijf gaan. Het slagveld is niet meer het toneel waarop ultieme bewijzen van deugdzaamheid worden geleverd. De heroïeke cultuur is ons gaandeweg vreemd geworden en dat kan worden gezien als een morele vooruitgang in de laatste halve eeuw.

Maar het is natuurlijk precies die verworvenheid die nu grenzen stelt aan het humanitaire geweld; werkelijke militaire risico's wil vooralsnog niemand lopen. Onze cultuur is gepacificeerd en daarin zal deze oorlog niet snel een verandering brengen, in weerwil van alle opwekkingen om nu een grondoorlog te beginnen. Deze aversie tegen risico's heeft in Srebrenica het Nederlandse leger ten zeerste gediscrediteerd, en zal in deze oorlog, als er niet snel een aanvaardbaar vergelijk wordt gevonden, de NAVO zwaar onder druk zetten.

Morele vragen rijzen ook over de doelen van deze oorlog. We steunen sinds enkele jaren impliciet een separatistische beweging, het UÇK, die geen haar beter is dan drie letterige geestverwanten als de PKK, de ETA, de IRA. Waarom is het UÇK zo snel als onderhandelingspartner aanvaard? Vergeten is dat de onafhankelijkheidsstrijders een gevestigd belang hadden: het niveau van de burgeroorlog opvoeren om zo de buitenwereld bij het conflict te betrekken. Het Westen komt nu mede uit schuldgevoel over de oorlog in Bosnië de moslim-bevolking van Kosovo te hulp. De kritiek van de islamitische wereld op de westerse aarzelingen in Bosnië is blijkbaar niet vergeten.

Is een onafhankelijk Kosovo, dat nu steeds meer ook door westerse politici als een mogelijkheid wordt gezien, werkelijk een te verdedigen doelstelling? Nee, geenszins. Een verdere versplintering van de Balkan is niet wenselijk – na Kosovo komen namelijk Montenegro, Vojvodina, Macedonië en Bosnië in de gevarenzone. Toch drijft door de oorlog een oplossing binnen de grenzen van Joegoslavië steeds verder weg en neemt het risico van een uitbreiding van het conflict verder toe.

Wat we zien is een escalatie van geweld, die tot steeds ruimere oorlogsdoelen leidt. Eerst was de gedachte: Miloševic dwingen Rambouillet te tekenen. Nu is de definitieve ontmanteling van zijn militaire apparaat aan de orde en hoe langer hoe meer gaat het om de vernietiging van Miloševic als president van Joegoslavië. Het enige waar nog over onderhandeld kan worden lijkt de datum te zijn waarop Miloševic zijn enkele reis Den Haag aanvaardt. Hoe langer de bombardementen duren, hoe minder aanvaardbaar welk vergelijk dan ook is. Bij elk compromis wordt namelijk met terugwerkende kracht het gebruikte geweld grotesk.

We dreigen met open ogen in een duivelse kring te treden: de bombardementen versterken de positie van Miloševic en tegelijk gaan de bombardementen door zolang Miloševic aan de macht blijft. We kennen het voorbeeld van de massieve Britse bombardementen tijdens de Tweede Wereldoorlog op Duitse steden als Hamburg en Dresden. Die bereikten nooit hun doel. Het moreel van de Duitse bevolking bleef tot op de laatste dag ongebroken. In Servië bevestigen de bombardementen het achterdochtige wereldbeeld waar Miloševic van leeft: ,,waar zijn jullie, we kunnen jullie niet zien''. En zo verdicht een aangeleerd nationalisme dat bij velen niet diep zat, zich tot een geleefde ervaring, die nog lang kan meegaan.

Een andere morele rechtvaardiging van de oorlog is: nu wordt een begin gemaakt met nieuwe rechtsordening. Of zoals de Albanese schrijver Kadare het wat grandiozer zegt: ,,Een nieuwe bladzijde van de geschiedenis van de wereldbeschaving'' is opengeslagen. Helaas, vooralsnog worden er geen nieuwe regels geschreven, maar oude regels geschonden, door een groep van landen die zich het recht hebben toegeëigend buiten de Verenigde Naties om een oorlog te beginnen, terwijl hun eigen veiligheid niet in het geding is. Wie zo het recht in eigen hand neemt, kan niet de illusie hebben dat buitenstaanders onder de indruk raken en denken dat zo een nuttig precedent is geschapen. Zoals het nu is gegaan in Kosovo, kan het nooit meer gaan en deze vergelding heeft dan ook geen afschrikkende werking op andere autoritaire regimes.

Wij kunnen niet meer blijven toekijken'', horen we allerwegen. Wat betekent het eigenlijk om in de positie van een voyeur te worden geplaatst door de mediamieke verbeelding van andermans leed? De toegenomen gevoeligheid voor schending van mensenrechten is een groot goed. We leven in wat wel een `emotionele democratie' is genoemd. De democratisering van de emotie, de afnemende onverschilligheid tegenover onrecht waar ook ter wereld, kan zeker als een morele vooruitgang worden gezien.

Maar deze groeiende intolerantie voor grove schendingen van menselijke waardigheid heeft ook een minder gelukkige kant. Gevoeligheden zijn vluchtig, ze reizen van het ene naar het andere onheil. Maar vooral leiden ze tot een ondermijning van de terughoudendheid, die elke diplomatie zou behoren te koesteren. Meestal komt geweld voort uit ongeduld. Een democratie die wordt voortbewogen door grenzeloze gevoeligheid en zich gedwongen voelt om `iets' te doen zonder te weten wat, heeft een meer dan gevaarlijke kant. De emotionalisering van de democratie kan dan ook beslist géén vooruitgang worden genoemd. Anders gezegd: gewetensdwang dient zelden het veiligheidsbelang.

Men kan ervan overtuigd zijn dat een autoritair regime als het Servische op den duur niet zal overleven. Om dat verval te bespoedigen kan men denken aan de traditionele dwangmiddelen van de diplomatie: economische sancties, uitsluiting van internationale organisaties en internationale rechtsvervolging. Denk bijvoorbeeld aan de isolering van het apartheidsbewind. Maar op termijn is de ondermijnende invloed die uitgaat van een zone van landen die een welvarende en vreedzame levensstijl belichamen, veel werkzamer dan welke druk ook. Dat sluipende gif van de democratie is zichtbaar in zijn uitwerking, want overal is de middenklasse in opstand tegen autoritaire en corrupte elites. De verleiding van het Westen heeft het communisme in het Oosten uiteen doen vallen en zo zou het ook zijn gegaan met het dictatoriale Servië van Miloševic.

Tot de moraal van geweldsgebruik behoort het denken over escalatie, maar ook het zoeken van een aanvaardbare uitweg. We weten natuurlijk weinig over de planning van de NAVO. Van de buitenkant bezien is het een solide apparaat, maar toch lijkt er weinig te zijn nagedacht over de onbedoelde gevolgen van het gebruik van militair geweld tegen een land als Joegoslavië. We zwijgen nu maar over de humanitaire catastrofe die sinds de bombardementen in volle hevigheid is losgebarsten. Zeker is dat de massale deportaties ondenkbaar zijn zonder de dekmantel van deze oorlog. Het overschrijden van de drempel van geweld opent een ruimte waarin vooral onzekerheid heerst, en geen voorlichterij kan dat verhullen.

We moeten het hebben over welke uitweg nu nog mogelijk is. Zeker, we kunnen niet zomaar ophouden, maar we kunnen ook niet zomaar doorgaan. Op zijn minst moeten vier beperkingen luid en duidelijk worden omschreven: geen onafhankelijk Kosovo, geen grondoorlog, geen afzetting van Miloševic als oorlogsdoel, en een gelijkwaardige betrokkenheid van Rusland bij een vredesmacht. Onderbreking van de oorlogsvoering op enig moment en onderhandelingen over een VN-bestuur in Kosovo zou een aanvaardbare weg kunnen zijn. De val van Miloševic moet vroeger of later door de Serviërs zelf worden bewerkstelligd. Zonder zo'n begrenzing van de doelstellingen en de middelen kan de oorlog uitdijen tot een onafzienbare omvang.

Misschien weekt het nieuwe millennium missionnaire gevoelens los. Hoe het ook zij, weinigen hebben nog zin om de morele dilemma's te omschrijven, de oorlogspartij draait op volle toeren, en de media ontdekken pas na weken de andere kant van het verhaal. De beschrijving van Servische barbarij laat zien hoezeer ook humanitaire interventionisten leven van een etnisch gekleurd vijandbeeld.

We beleven een deplorabel moment, dat soms doet denken aan de zomerse dagen van 1914, toen iedereen zingend vertrok naar een `frischer und fröhlicher Krieg', die niet langer dan een paar weken zou gaan duren.

Naar het zich nu laat aanzien zijn we verstrikt in een tragedie, waarbij oplossingen langzaam maar zeker achter de horizon verdwijnen en iedereen op een noodlottige wijze verliezer wordt. Niemand kan met zekerheid het verdere verloop van deze oorlog voorspellen, maar wat een beperkte burgeroorlog in Kosovo was, draait meer en meer uit op een oorlog die noch in politiek, noch in humanitair opzicht te verdedigen valt. Er speelt zich een werkelijke tragedie af, want zoals iedereen weet: de verdediging van eer vraagt altijd om meer.

Paul Scheffer is publicist.