ROTTE VIS

In de Wetenschapsbijlage van 17 april uit dr. Niels Daan zijn ongenoegen over een onderdeel van ons boek `De Onwelkome Boodschap'. Daan is als bioloog verbonden aan het RIVO (Rijksinstituut voor Visserijonderzoek) en zijn toorn richt zich tegen het gedeelte dat handelt over onze weergave van de wijze waarop laatstgenoemde de mond is gesnoerd.

Zijn grote grief is dat wij hem onze tekst niet vooraf ter lezing hebben gegeven. In de paragraaf van ons boek die gewijd is aan onze werkwijze schrijven we: ``Wij hebben ons voor eenzijdigheid trachten te hoeden door iedere casus voor te leggen met verzoek om commentaar, aan iemand die te boek staat als tegenstander van de betrokkene of anders toch als min of meer onpartijdige waarnemer.' Hij meent dat wij dit in het onderhavige geval hebben nagelaten. Daarin vergist hij zich.

Aanvankelijk hebben wij, zoals voor de hand ligt, overwogen de directeur van het RIVO om commentaar te vragen. Uiteindelijk hebben wij dit niet gedaan, al was het maar omdat er in de loop van de door ons beschreven periode een directeurswisseling heeft plaatsgevonden. Bleven over de zes bij het instituut werkzame biologen die zich tegen Corten gekeerd hebben. Het standpunt en de motieven van Daan kwamen uit de stukken overduidelijk naar voren. Omtrent die van de overige vijf tastten wij, zeker aanvankelijk, in het duister, reden waarom wij besloten hebben één van hen om een reactie te vragen. De betrokkene heeft een uitvoerig, kritisch en verhelderend commentaar geschreven, waarvan wij in onze definitieve versie dankbaar gebruik gemaakt hebben. Wel heeft hij bedongen dat wij zijn naam noch in het boek noch daarbuiten zouden noemen, en evenmin zijn stuk aan derden ter lezing zouden geven. Wij hebben verder nog geprobeerd een reactie te krijgen van een beleidsambtenaar op het ministerie; dat is niet gelukt.

Een ander punt dat de heer Daan aanroert is ons dossier over deze zaak. Dit zou onvolledig zijn. Ten bewijze daarvan brengt hij een notitie in stelling van Corten, waarin deze kritiek levert op plannen van de overheid met de zeevisserij. Hij, Daan, wijst erop dat wij van deze notitie in het geheel geen gewag maken. Maar geen wonder: deze stamt uit 1991. De affaire-Corten ontstaat pas in 1993 als het ministerie van LNV (Landbouw, Natuurbeheer en Visserij) de zogenaamde structuurnota over de zeevisserij uitbrengt. Dan pas verbiedt men Corten zijn standpunt inzake de daarin uitgestippelde gedragslijn nog langer openbaar te maken.

Ook schrijft Daan nog dat hij vergeefs gepoogd heeft ophelderring van ons te krijgen over een aantal zaken. Nu dat niet gebeurd is, zegt hij, moet er maar een kort geding komen of een klacht bij de Raad voor de Journalistiek. Inderdaad heeft hij ons op 2 april, pal voor de paasdagen, een brief gezonden waarvan de voornaamste boodschap is dat hij zich door ons verslag ernstig in zijn goede naam en eer voelt aangetast en waarin hij ons sommeert hem binnen tien dagen genoegdoening te verschaffen. Wegens de paasvakantie is deze brief ons pas op 12 april onder ogen gekomen. In ons antwoord van 16 april schrijven wij over dit punt het volgende: ``Wij hebben uw standpunt zakelijk en zoveel mogelijk in uw eigen bewoordingen weergegeven. Ook vermelden wij in het boek dat u en uw medestanders binnen het RIVO `concurrerende waarden en principes hebben, die op zichzelf zeker ook respectabel zijn, en waarvan u op uw beurt vindt dat Corten die geschonden heeft. Verder dat beide partijen argumenten hebben die overtuigend klinken, maar dan wel op heel uiteenlopende punten.' Wij vermogen derhalve niet in te zien hoe uw eer en goede naam door ons toedoen geschaad zouden kunnen zijn.'

Eventuele verdere demarches van dr. Daan wachten wij in alle gemoedsrust af.

CORRECTIE

In de brief `Rotte vis' in W&O van 24 april is aan het eind van de eerste alinea weggevallen dat de kritiek van Daan het gedeelte betreft in `De onwelkome boodschap' dat zich richt op Ad Corten, net als Daan werkzaam bij het Rijksinstituut voor Visserijonderzoek.

Redactie