Pensioenfondsen uit het stof

Voor vele mensen staan miljarden guldens gereserveerd bij pensioenfondsen. Per individu variërend van enkele tienduizenden guldens tot vele tonnen. Wat doet zo'n pensioenfonds eigenlijk voor uw geld? In ieder geval: steeds meer. Het stoffige imago verdwijnt.

Als er over pensioen gesproken wordt gaat het formeel om uitkeringen bij ouderdom of arbeidsongeschiktheid of na overlijden van werknemers. Deze uitkeringen krijgen zij (of hun nabestaanden) omdat hun werkgever dat – zoals het officieel heet – heeft `toegezegd'. Dit klinkt wat patriarchaal, omdat tegenwoordig veelal via CAO-onderhandelingen afspraken over pensioenregelingen worden gemaakt. Die afspraken komen dus tot stand tussen werkgevers en werknemers. De overheid bemoeit zich slechts zijdelings met de pensioenregelingen. Fiscaal worden er wat normen gesteld aan de (maximale) hoogte van pensioenuitkeringen. En via de Pensioen- en spaarfondsenwet (PSW) zijn een aantal zaken geregeld zoals: dat iemand recht heeft op pensioen als hij of zij in een groep zit waarvoor een pensioenregeling geldt; dat parttimers niet mogen worden uitgesloten; enkele voorwaarden over de rechten bij ontslag en echtscheiding. De belangrijkste bepaling in de PSW is echter dat – als een werkgever pensioen toezegt (hij is daartoe in principe niet verplicht) – er per werknemer voldoende kapitaal veiliggesteld moet worden bij een pensioenfonds of een verzekeringsmaatschappij. Buiten de invloed van de werkgever dus, zodat het geld niet zoek kan raken.

Er zijn twee soorten pensioenfondsen. De bedrijfspensioenfondsen zorgen voor de pensioenen in een bedrijfstak. Bijvoorbeeld: de bouw, metaal, gezondheidszorg, ambtenaren. Ondernemingspensioenfondsen zorgen voor de pensioenen van werknemers verbonden aan een bedrijf of conglomeraat van bedrijven. Denk aan Philips, AKZO, Shell, Vendex.

Hoewel andere rechtsvormen ook kunnen is een pensioenfonds meestal een stichting. Via de PSW is bepaald dat het bestuur van een pensioenfonds voor de helft uit werknemers- en voor de helft uit werkgeversvertegenwoordigers moet bestaan. Heel democratisch dus. Maar of daarbij altijd goed op de rechten van de werknemers gelet wordt is de vraag. Een voorbeeld. Meneer X heeft een baan, waarbij zijn pensioen wordt opgebouwd bij het bedrijfspensioenfonds voor de metaalnijverheid. Hij wordt voor 60 procent afgekeurd. Hij voldoet aan de verwachtingen van de maatschappij, want hij gaat weer aan het werk bij een ander metaalbedrijf en vult de overige 40 procent in via een fulltime baan. Hij zit daardoor weer op zijn oude salarisniveau. Het pensioenfonds meldt hem echter dat zijn pensioenrechten met 25 procent verlaagd zijn ten opzichte van zijn vroegere situatie toen hij 100 procent arbeidsgeschikt was. Hij vraagt zijn vakbond hem te helpen om deze onrechtvaardigheid op te lossen. Na veel getouwtrek krijgt hij een brief van `het pensioenfonds', waarin staat dat er niets onrechtvaardigs aan de hand is en dat zijn pensioenrechten precies berekend zijn volgens de regels van het pensioenreglement. De brief is ondertekend door de werknemersvertegenwoordiger in het bestuur. Dezelfde persoon die, als pensioendeskundige van de vakbond, de belangen van meneer X zou moeten behartigen.

Inderdaad is in dit geval het pensioenreglement volledig nageleefd. Maar dat dit in een veranderende maatschappij tot deze gevolgen zou leiden is bij het opstellen van het reglement waarschijnlijk niet doordacht. Verder doet `het pensioenfonds' (lees: het bestuur) er weinig aan om met een creatieve oplossing te komen. Zelfs niet nadat het meneer X lukte om – via de nodige publiciteit – de staatssecretaris van Sociale Zaken, de politiek en de Stichting van de Arbeid te laten verklaren dat dit een probleem is dat opgelost moet worden. Niet alleen voor meneer X, maar ook voor veel gedeeltelijk afgekeurden, die toch proberen hun restcapaciteit met werken in te vullen en dan zien dat hun pensioenrechten omlaag gaan.

Dat het pensioenfonds zo reageerde is misschien wel historisch te verklaren. De pensioenfondsen regelden in de afgelopen decennia voornamelijk het pensioen voor vader, omdat die werkte. Vader moest bij ouderdom over een aardig centje kunnen beschikken. En als vader kwam te overlijden moest aan moeder, die thuis zat en de kinderen verzorgde, en ook aan die kinderen een uitkering worden verstrekt. Het pensioenfonds moest er alleen maar voor zorgen dat er via premies voldoende geld binnenkwam, het geld goed beheerd werd en de uitkeringen keurig verzorgd werden. Zo werden het in veel gevallen wat suffige administratiekantoren.

Maar de maatschappij verandert. Er komen steeds meer tweeverdieners, die misschien geen behoefte hebben aan nabestaandenpensioen en dat het liefst willen inruilen tegen wat meer of eerder ingaand ouderdomspensioen. VUT-regelingen gaan op de helling en pre- of vroegpensioenregelingen komen er voor in de plaats. Pensioenregelingen moeten dus flexibeler worden. Bij een aantal pensioenfondsen is men intussen wakker geworden. Degenen die de dagelijks zaken uitvoeren (meestal een directie met personeel) proberen zo creatief mogelijke regelingen te maken. Omdat daarbij belangen van zowel werkgevers als werknemers moeten worden afgewogen ontstaan vaak heel gecompliceerde regelingen. Het personeel van pensioenfondsen moet vaak nog worden opgeleid om het toenemend aantal vragen van deelnemers en werkgevers te kunnen beantwoorden.

Sommige pensioenfondsen slaan door in hun creativiteit. Zij willen de deelnemers naast de `normale' pensioenregeling ook mogelijkheden bieden om met eigen geld het inkomen voor oude dag, bij arbeidsongeschiktheid en na overlijden aan te vullen. Omdat ze – door wettelijke bepalingen – dat niet als pensioenfonds zelf mochten doen, kochten ze managers weg bij commerciële verzekeraars en richtten zij zelf verzekeringsmaatschappijen op. Dat zeer tot ongenoegen van de commerciële verzekeraars (en hun aandeelhouders), die hierin oneerlijke concurrentie zagen. Terecht? Verkoop van producten zou niet voorop moeten staan bij de pensioenfondsen. Maar in de praktijk blijken ook pensioenfondsen zich schuldig te maken aan verkooptechnieken die van commerciële verzekeraars ver-wacht mogen worden. Zo ontvingen honderdduizenden ambtenaren in februari een brief van het ABP met de vraag of zij nog `belastingaftrek' wilden en zo ja om dan snel een koopsompolis te sluiten bij het ABP. Zonder dat voldoende gewezen werd op de vraag of zo'n lijfrenteverzekering voor de betreffende ambtenaar wel zinvol zou zijn. Dat het hier om de verzekeringsmaatschappij ABP ging en niet om het pensioenfonds werd niet duidelijk aangegeven. Staatssecretaris Hoogervorst van Sociale Zaken heeft inmiddels aangekondigd dat de verzekeringsmaatschappijen van de pensioenfondsen de deelnemers niet meer onder de naam van het pensioenfonds mogen benaderen.

Omdat pensioenfondsen `eigendom' zijn van werkgevers en werknemers moeten zij hun deelnemers eerlijke, onbevangen en objectieve informatie verschaffen. Doen ze dat niet dan zullen de commerciële verzekeraars er voor zorgen dat ook zij uit die pensioenruif mogen gaan mee-eten. Door die `marktwerking' bestaat de kans dat dan over een aantal jaren de pensioenfondsen verdwenen zijn. Daarmee zou een in wezen sociale en democratische opzet, waarbij nog enige solidariteit te vinden is, verloren gaan. Werkgevers en werknemers bepalen zelf hoever ze dat willen laten komen.