Hulpverleners verdringen zich om Kosovaren

Allerlei hulporganisaties storten zich in Macedonië op de gevluchte Kosovaren. De onderlinge afstemming verloopt niet altijd even soepel. In Nederland wordt de hulp voorbereid. ,,Voor een goed stuk zeep moet je in Tsjechië zijn.''

Op een modderig terreintje bij Blace komt een enorme vrachtwagen van Artsen zonder Grenzen aanrijden. Formschöne Wärmekörper staat erop, en wat erin zit weet niemand. Iets wat mooi en warm is, lacht de Nederlandse fotograaf die voor de diverse periodieken van MSF (Médicins sans Frontières), zoals de Artsen hier heten, de hulpverlening komt verslaan. Dinsdagavond bereikten enkele duizenden vluchtelingen uit Kosovo deze grensovergang in Macedonië. Ruim negenhonderd bivakkeerden er een dag later nog, de anderen waren al naar de officiële kampen gebracht.

Bij Blace is nog vrijwel geen opvang geregeld. Er staan wat tenten, maar de verlaten resten van het oude modderkamp, honderd meter verder, nemen vooralsnog een grotere oppervlakte in beslag. De Kosovaren lopen verwezen op het nieuwe terrein rond. Langzame tred, een holle blik in de ogen. Ze weten niets, ze wachten. Weg mogen ze niet; het omheinde veldje wordt streng bewaakt door de Macedonische politie. Als hulpverleners en journalisten onderling iets bespreken, worden ze door een groep afwachtend zwijgende mensen omsingeld. Is er al nieuws wanneer ze weg kunnen, en waar naartoe? En is er al eten?

Nieuws en eten zijn er nog niet. Wel houdt een arts van MSF al spreekuur in een grote tent. Ook MDM (Médicins du Monde), dat zich in de jaren tachtig van MSF heeft afgesplitst, heeft een kleine medische praktijk ingericht. De MDM-tolk probeert iets chagrijnigs te zeggen over MSF – ,,wij wisten helemaal niet dat hier mensen waren, ze hebben ons niets verteld'' – maar de MDM-arts snoert hem de mond. ,,Hé, dit is een journalist! Genoeg zo, dit hoeft niet in de krant.'' MDM is in dit tijdelijke kamp aangewezen om de medische opvang te regelen. MSF zorgt voor de sanitaire voorzieningen, maar wil ook nog een oogje op de gezondheidszorg blijven houden.

De onderlinge afstemming tussen de hulporganisaties, waarvoor de UNHCR, de vluchtelingenorganisatie van de Verenigde Naties verantwoordelijk is, laat te wensen over. Hans Bochove, de Nederlandse waarnemer van de OVSE, de Organisatie voor veiligheid en samenwerking in Europa, wordt moedeloos van de competentiestrijd die nu af en toe ontstaat. ,,Er zitten hier te veel junior medewerkers van UNHCR'', geeft hij als verklaring van de problemen. ,,De senior medewerkers zitten in Genève.''

In het nabijgelegen Brazda, waar zo'n 27.000 vluchtelingen verblijven, verlopen de zaken soepeler, maar dat kamp functioneert nu al ruim drie weken. Vijftien verschillende organisaties hebben er elk hun eigen specifieke taak: distributie van voedsel, een ziekenhuistent, toiletten verzorgen, zorg voor verstandelijk gehandicapten, telecommunicatie. Het Amerikaanse International Catholic Migration Committee – ,,our task is to find answers to all the pressures people have'' – heeft drie basketballnetjes opgehangen en een pingpongtafel neergezet. Meer dan honderd mensen verdrijven de verveling in dit geïmproviseerde sportpark.

,,Het is heel erg een markt, die hulporganisaties'', vertelt verpleegkundige Dirk de Groot, die dinsdagavond aankwam in Skopje, de hoofdstad van Macedonië, om het team van Artsen zonder Grenzen te versterken. Hij heeft eerder voor kleinere organisaties gewerkt, zoals `Calcutta Rescue' en `Holland Horizon'. ,,Het is een kwestie van vraag en aanbod, en soms zelfs van het creëren van vraag. In Afrika heb je allemaal van die kleine hulporganisatietjes en die verliezen hun subsidies en zo, als ze een tijdje zonder werk zitten.''

Aan `vraag' is in Brazda geen gebrek. De `huisartsenpraktijk' van Artsen zonder Grenzen kampt vooral met een gebrek aan tolken, vertelt de Britse arts Christa Hook. Daarvoor worden vrijwilligers gezocht onder de vluchtelingen zelf. Juist de mensen die moeite willen doen om iets aan hun situatie te veranderen, melden zich aan, vertelt Hook. ,,En die vinden het zo vreselijk hier; die proberen zo snel mogelijk een vliegtuig naar Europa te krijgen.'' Ook aan artsen en verpleegkundigen is een tekort. Mensen draaien diensten van acht tot tien uur.

De grote hulporganisaties laten nooit vrijwilligers uit het buitenland komen; ze werken alleen met ervaren mensen. Artsen zonder Grenzen organiseert zelf driemaal per jaar een opleiding voor zijn `expats'. Na een uitgebreide selectieprocedure volgt een training van twee weken in een jeugdherberg bij Apeldoorn. Vorige week bewonderden studenten er bijvoorbeeld allerlei handige gadgets: een programmeerbare thermometer ter grootte van een fotorolletje, dat op vooraf bepaalde tijdstippen de temperatuur van de medicijnen opslaat; een buisje rode verf dat breekt als het vriest, zodat je aan de verfvlekken kunt zien dat niet-vorstbestendige medicamenten moeten worden weggegooid. Geen eerste prioriteit in het veld, wel leuk, vinden de studenten.

Het verloop bij Artsen zonder Grenzen is hoog. Van de 550 mensen die de stichting jaarlijks uitzendt, is zo'n zestig procent korter dan een jaar `Arts'. Slechts twaalf procent heeft drie jaar of langer ervaring in het veld. Maar het werk is dan ook niet iets wat mensen hun hele leven volhouden. ,,En het is onze policy om een hoog percentage `eerste-missiegangers te hebben'', zegt docent Barend Leeuwenburg. ,,Dat vergroot het draagvlak in de maatschappij, wat we heel belangrijk vinden. Vandaar ook onze maandelijkse informatieavonden.'' De meest recente informatieavond van Artsen zonder Grenzen werd, vanwege de Kosovocrisis, door een recordaantal van zo'n negentig mensen bezocht. Normaal gesproken komen er zo'n vijftig bezoekers, van wie uiteindelijk een of twee de training volgen.

Behalve mensen moeten ook hulpgoederen zoals eten, medicijnen en dekens naar het hulpgebied worden gebracht. Ook hier wordt weer in internationaal verband gewerkt. ,,We stemmen met collegalanden af wie wat voor z'n rekening neemt'', vertelt Jan de Graaf, hoofd internationale hulpverlening bij het Rode Kruis. ,,Dat we niet met z'n allen op het item kleding duiken.'' Lokale zusterorganisaties van het Rode Kruis stellen de behoeften eerst ter plekke vast.

De logistieke deskundigen weten precies welk product je in welk land moet aanschaffen. Hygiënepakketten komen uit Tsjechië en Bulgarije, waar men volgens Coonen een ,,heel goed'' stuk zeep weet te maken. ,,Maar ook niet overdone, we kopen liever twee stuks voor dezelfde prijs dan één.'' Spijsolie komt uit Turkije – ,,in dat soort landen groeien veel zonnebloemen''. En voor ,,heel goed en goedkoop meel'' moet je volgens Coonen in Italië zijn. Voor zowel goederen als vervoer worden minstens drie offertes aangevraagd. Voor het laatste hebben Duitse en Oostenrijkse bedrijven een streepje voor, met name als ze veel met buitenlandse chauffeurs werken en veel op Albanië rijden. ,,Want die mensen spreken de taal al.''

Volgens het Rode Kruis Nederland is gebleken dat de mensen in Albanië met name meel, bonen, olie en pasta nodig hebben. In het tentenkamp Brazda, in Macedonië, zijn de behoeften van de vluchtelingen blijkbaar anders. Een brood, een pak sap, melk, fruit, en wat blikjes groenten en vis dat is het familierantsoen voor een dag.

,,Iedereen krijgt hetzelfde'', vertelt Juliette (18) uit Priština. ,,Elke dag staan mijn ouders of ikzelf hier in de rij.'' En die is vele honderden meters lang.