Het vrije leven

Veel regels, weinig ruimte, een slecht imago: boeren in Nederland hebben het niet makkelijk. Toch zijn er jongeren die talen naar het buitenleven op een eigen bedrijf – desnoods in het buitenland. `Als ik ga stappen met m'n vrienden ben ik de enige die de volgende ochtend vroeg op moet om te melken.'

De stierenkaart heeft geen geheimen voor Jos Heeren uit Odiliapeel. Zes keer per jaar wordt er sperma aangekocht op het bedrijf van zijn ouders, met honderd melkkoeien en tweehonderd vleesstieren een bovengemiddeld rundveebedrijf. Op de stierenkaart van het KI-station moet dan een mooi exemplaar worden uitgezocht. Alle belangrijke gegevens staan daarop per stier vermeld, en Jos (18) weet waar hij op moet letten. Het valt nog niet mee om de beste stier bij een bepaalde koe te zoeken, er moeten veel factoren worden afgewogen. Er is maar één probleem: hij heeft een voorkeur voor zwarte koeien, zijn vader wil liever roodbont.

Jos en zijn klasgenoot Jasper Spierings (19) zijn naar hun school in het Brabantse Oss gekomen om te praten. Met de Landrover – ,,hobby van m'n vader'' – rijden we met z'n drieën naar Jaspers boerderij aan de rand van Oss. De Spierings zijn gewend aan onverwacht bezoek, ze verkopen aan huis. Naast het houden van zestig melkkoeien zijn ze acht jaar geleden, tot verbazing van de buren, begonnen met het kweken van vissen. Inmiddels komen liefhebbers van verre om koi of steur voor hun vijver te kopen. De handel in siervissen zorgt voor meer inkomsten dan de koeien, een kuitrijpe steur kost 35.000 gulden. Als vanzelfsprekend heeft Jasper het melken op zich genomen. ,,Mijn broer neigt meer naar de vissen, ik naar de koeien.'' Ook hij is het weleens oneens met zijn vader, over de keuze van de radiozender in de koeienstal bijvoorbeeld.

Een echte afspraak is het niet, en aan tafel wordt er niet openlijk over gesproken. Toch weten Jos en Jasper zeker dat ze, met of zonder hun jongere broers, het bedrijf van hun ouders zullen overnemen. Ze hebben immers gekozen voor een agrarische beroepsopleiding, de vierjarige richting veehouderij aan de MBO Oss. Daar krijgen ze les in vakken als dierverzorging, onderhoud van werktuigen en bedrijfsvoering met de computer, ondersteund door veel praktijkervaring door middel van stages. Misschien gaan ze daarna nog door naar de Hogere Agrarische School (HAS) in Den Bosch.

Alleen op de trekker

De meeste leerlingen in Oss en op de andere vestigingen van de Helicon Opleidingen zijn `agrarische jongeren', jongens en meisjes die zijn opgegroeid op het boerenbedrijf van hun ouders. Zelfs als ze willen, is het niet langer vanzelfsprekend dat ze dat bedrijf ook kunnen overnemen. Per dag stoppen acht tot tien boeren in Nederland met hun bedrijf. De toenemende druk op ruimte en milieu zal de agrarische sector in de komende periode verder doen slinken. De grond is schaars en dus duur, de productie wordt beperkt door nationale milieuwetgeving en internationale landbouwpolitiek. De consument keert zich af van de intensieve veehouderij, varkenspest en BSE hebben het vertrouwen in de voedselleverancier geschaad. De overheid stimuleert overschakeling naar alternatieven als natuurbeheer en biologische landbouw. Met de nieuwe landbouwparagraaf in het Europese overleg `Agenda 2000' en de mislukte sanering van de varkenssector heeft de branche onlangs twee politieke overwinningen geboekt, maar op langere termijn kan het alleen maar minder worden.

Wie wordt er nog boer? En waarom? Wegens de vrijheid, is het geijkte antwoord. Omdat je eigen baas bent, zelf je werktijden bepaalt, nooit in de file staat, altijd buiten bent. Met Brabantse tongval: ,,Ik zou niet op een dorp willen wonen, ik woon liever in het buitengebied.'' En: ,,Ik hoef niet om vijf uur afgewerkt te zijn.'' Wie vraagt naar het waarom van een toekomst in de traditionele veehouderij, krijgt overal hetzelfde te horen. Dat het zo mooi is omdat het een combinatie is van hobby en werk. Dat je er niet aan moet beginnen als je er niet in hart en nieren van houdt. Een alternatief beroep kunnen deze jongeren zich niet voorstellen. Werken op kantoor, een baas die zegt wat je moet doen; ze gruwen er van. Ze koesteren een romantisch beeld: de liefhebber die ondanks alles zijn eigen weg gaat.

Henrie Kuypers (17) uit Someren-Heide voelt zich door dat beeld wel aangesproken. Werken met anderen trekt hem niet erg. Liever zit hij, zoals op deze stralende dag, alleen op de trekker om kunstmest uit te rijden. Henrie zit in het eerste jaar van de opleiding veehouderij in Helmond en loopt stage bij Johan van den Boer, oud-leerling aan dezelfde opleiding. Een dag per week, en af en toe vier dagen achter elkaar, helpt hij mee in het rundveebedrijf. Net als bij Henrie thuis gaat het om zeventig melkkoeien, sinds de Europese invoering van de melkquota in 1984 de standaardomvang voor gezinsbedrijven. Groter hoeft niet, vindt Henrie, want dan moet je met personeel gaan werken en een werkgever wil hij niet worden. Later in de opleiding zal Henrie toch ook op grotere bedrijven moeten gaan werken, vindt zijn stagecoördinator. Hij moet meer zien dan hij van huis uit gewend is. Bovendien: de toekomst van de landbouw is schaalvergroting.

Wie boer wil worden, gaat naar een AOC, een Agrarisch Opleidings Centrum. Zeventien van deze instellingen, elk met een aantal vestigingen en bijbehorende onderwijsspecialisaties, verzorgen het voorbereidend (twaalf tot zestien jaar) en middelbaar (vanaf zestien) agrarisch beroepsonderwijs. Probleem is alleen die term `agrarisch'. Daar lok je geen leerlingen mee, vindt men bij de AOC-raad. In een zojuist afgesloten campagne draaide het daarom om de afkorting AOC-onderwijs, en dan vooral om de ondertitel: `MBO-opleidingen voeding, natuur & milieu'. Agrarische jongeren weten de weg naar de opleiding ook zonder voorlichting wel te vinden, zo redeneert men. Belangrijker is dat pubers zonder agrarische ambitie duidelijk wordt gemaakt dat op deze scholen meer te leren valt dan omgaan met varkens en koeien.

Met succes, want het aantal leerlingen voor nieuwe specialisaties als milieutoezicht en groenverzorging neemt toe. De laatste vijf jaar schommelt het dagonderwijs in het agrarisch MBO tussen de zestien- en zeventienduizend leerlingen (op een totaal aantal leerlingen in het secundair beroepsonderwijs van nu driehonderdduizend leerlingen). Het constant blijven is vooral te danken aan toename bij de nieuwe richtingen. Bij traditionele richtingen als plantenteelt en veehouderij daalt het aantal aanmeldingen. Bloemschikken en dierverzorging, vooral gekozen door meisjes, zijn juist erg populair.

Het accent in deze beroepsopleidingen ligt steeds minder op de landbouw, steeds meer op omgaan met natuur, voedsel en milieu. Steeds minder `productie', zoals men plantenteelt en veehouderij op de scholen aanduidt, en steeds meer dienstverlening. Slechts mondjesmaat dringen vakken als `onderhoud agrarisch landschap' door tot de opleiding veehouderij. Het veehouderijonderwijs speelt onvoldoende in op vernieuwing, beamen de docenten. Biologische landbouw speelt een bescheiden rol op de Brabantse scholen, en dat hoor je in de afwerende reacties van leerlingen. ,,Biologisch boeren? Ach, niet meer dan een modeverschijnsel.''

Opwinding in de klas in Boxtel. Drie jongens rennen naar het raam, met uitzicht op het parkeerterrein: ,,Hé, 'n Scania op de plaats!'' Een van de jongens is bezig met lessen voor zijn vrachtwagenrijbewijs, dus zelfs een doodgewone vrachtwagen is een excuus om even te ontsnappen aan de les over de notatie van chemische elementen op kunstmestzakken. In Boxtel hebben de twee categorieën leerlingen elk een eigen vleugel in het gebouw, een eigen rookstek op het schoolplein en een eigen scheldnaam: de `boeren' en de `techno's' (verzamelnaam voor leerlingen levensmiddelentechnologie en milieutoezicht) hebben nauwelijks contact met elkaar. Milieucontroleurs, zo vinden de boeren, dat zijn van die types die een ligbox afkeuren omdat ie twee meter zes lang is in plaats van de verplichte twee meter tien.

In de lege kantine zit Bas Verstijnen (18) uit Eersel. Hij kan wel een les missen. Tijdens de eerste mooie dagen na lange tijd slecht weer moet er veel gebeuren op het land en knijpen de docenten een oogje dicht bij afwezigheid. Het weekeinde heeft voor Bas een vast stramien: zaterdagmiddag voetballen in Eersel, `savonds uit met vrienden naar het Stratums Eind in Eindhoven, zondagmiddag een beetje rondrijden op de brommer. En 'sochtends en 'savonds helpen met melken. ,,Van jongs af aan was het duidelijk dat ik boer zou worden. Ik was altijd buiten aan het rotzooien. Mijn broer speelde met technisch lego, dat raakte ik niet aan.''

Bas heeft zijn toekomst al uitgestippeld. Over twee jaar is hij klaar met zijn middelbare beroepsopleiding. ,,Ons pap is dan vijftig en zal wel tot z'n zestigste blijven werken. Dus ga ik eerst zes jaar op een ander bedrijf werken, dat is ook goed om andere werkstijlen te leren kennen, en dan nog vier jaar parttime bij mijn vader.'' In het derde en vierde jaar van de opleiding krijgt Bas het fijne te horen over financiële constructies rond bedrijfsovername, zoals deelname aan de maatschap van zijn vader, moeder en oom. Mocht het over tien jaar onmogelijk zijn geworden om het bedrijf met zeventig melkkoeien en vierhonderd `mestverkens' voort te zetten, dan vertrekt Bas zonder problemen naar het buitenland. ,,Ik ben al `ns wezen kijken in Polen, met een uitwisseling van school. Niet te vergelijken met hier. Canada trekt wel, een buurman van ons zit nu daar en die is enthousiast.''

Naar het buitenland

Liever naar het buitenland dan zoeken naar alternatieven, dat geldt ook voor de andere boeren in spe. Zelfs voor Jasper Spierings, wiens vader met succes zijn bedrijf heeft vernieuwd door siervissen te gaan kweken. Aan de keukentafel komt de tegenstelling naar boven. Cor Spierings vertelt dat hij in de toekomst slechts twee types agrarische bedrijven ziet overleven: grootschalige bedrijven met veel werknemers en kleinschalige familiebedrijven, waar de consument zelf z'n spullen komt halen. Alleen als de bedrijven tussen boer en consument worden uitgeschakeld, blijft het financieel haalbaar. Spierings verkoopt nu vissen aan huis, en in de toekomst misschien kaas.Zoon Jasper, tot nog toe niet om woorden verlegen, valt stil bij het enthousiaste verhaal. Hij ziet er weinig heil in. Zijn vader weet wel waarom: het is niet stoer genoeg. Liever denkt Jasper na over een nieuwe inrichting van de melkstal, of over de installatie van melkrobots. Met vier ton is dat een forse investering, maar hun komst is onvermijdelijk.

Volgens CBS-cijfers waren er in Nederland in 1990 bijna 125.000 land- en tuinbouwbedrijven, in 1996 waren dat er ruim 110.000. Tussen 1970 en 1998 daalde het aantal werknemers in land- en tuinbouw van 340.000 tot 292.000. Naar verwachting zal het huidige aantal landbouwbedrijven over tien jaar zijn gehalveerd. De opbrengst per dier zal dalen, dus hebben de overblijvers meer dieren en meer grond nodig. Volgens optimistische schattingen schakelt de helft van de afhakers over op biologische landbouw, de andere helft stopt voorgoed. De biologische landbouw, met name veehouderij in Flevoland en Noord-Holland, is de laatste twee jaar sterk gegroeid en beslaat nu met 20.000 hectare één procent van het totale landbouwareaal. In de toekomst draait het volgens de recente beleidsnota `Kracht en Kwaliteit' van het ministerie van LNV om `verbrede landbouw': milieuvriendelijk van aard en met inkomsten uit nevenactiviteiten. Minister Apotheker kondigt deze maand aan dat hij voorstellen voor bevordering van de biologische landbouw een jaar eerder dan gepland naar de Tweede Kamer gaat sturen.

Jasper en zijn klasgenoot Jos kennen de voorspellingen, maar verwachten desondanks de huidige bedrijven van hun ouders voort te kunnen zetten. Het tweetal veegt alle door de overheid gestimuleerde alternatieven van tafel. Aan biologische landbouw beginnen ze niet, want het staat nog in de kinderschoenen en ,,de consument pakt bij Albert Heijn toch het goeiekoopste pak melk''. Politiek en consument mogen er enthousiast over zijn, op school horen ze er weinig over. Kamperen op de boerderij is misschien leuk in Zeeland, maar in Brabant heeft het geen toekomst: ,,Je zult hier maar op de camping zitten, dit is toch geen toeristengebied?'' Natuurbeheer is door het verlies van grond te duur, de overheidspremies die er tegenover staan zijn te laag. Bovendien: ,,Is een moeras met brandnetels zoveel mooier dan een wei met koeien?''

En als er te veel regels komen in Nederland, dan maar naar het buitenland. Jos is in Frankrijk geweest, de ruimte daar was een verademing. Jasper schrok van het gebrek aan samenwerking tussen Britse boeren, dat is in Nederland met coöperaties beter geregeld. Maar toch: ,,Als je wilt boeren dat het barst, dan moet je naar het buitenland. In het buitenland ligt de toekomst.'' Deze zomer gaan ze voor hun stage allebei naar Ontario in Canada. Gezien de vele Nederlandse immigranten, onder wie recent vertrokkenen, verwachten ze weinig Engels te hoeven spreken.

Disco

Bijna elke zaterdagavond gaat Henrie Kuypers met z'n vaste groepje vrienden naar disco Apollo in Zeilberg. Ook al nemen ze een taxi, Henrie zorgt er voor dat hij niet al te veel drinkt – hooguit vijftien pilsjes. Als enige van het groepje – zijn vrienden zijn aankomend bouwvakker, houtbewerker, vrachtwagenchauffeur, monteur bij DAF – moet hij namelijk alweer om 7.00 uur opstaan. Helpen met melken. Henrie klaagt niet, het hoort erbij. En hij verdient er ƒ65 per weekeinde mee.

Aan de eettafel bij Johan en Maria van den Boer, het echtpaar waar hij stage loopt. Henrie vertelt aarzelend en kijkt af en toe vragend naar Johan of zijn stagecoördinator van de MBO Helmond die deze middag kijkt hoe het gaat. Later, op de trekker van de ene naar de andere boerderij, praat Henrie wat makkelijker en heeft hij bij elk bedrijf dat we passeren een verhaal. Achter elk woonhuis ligt een lage loods, bevolkt door onzichtbare varkens. Het trauma van de pest is door de varkensboeren nog niet verwerkt, ze zijn niet erg happig op journalisten. De prijzen zijn laag, de angst voor besmetting met welke ziekte dan ook is nog niet voorbij. Een verzoek om langs te mogen komen werd elders nors afgewezen: ,,Ze hebben ons kapot gemaakt, en weet u soms hoe het verder moet? Nou, weet u het?''

Voor Henrie is overname van het ouderlijk bedrijf nog ver weg, zijn vader is 51. Hoe dat precies zal gaan weet hij niet, thuis wordt er niet over gesproken. Handig is wel dat Henrie's oudere zus, gediplomeerd veehouder, inmiddels in een groentezaak werkt en z'n andere zus met moeilijk lerende kinderen. Dat wordt in ieder geval geen ruzie. Bedrijfsovernames, waarbij het gaat om miljoenenbedragen, liggen gevoelig en het gaat niet altijd goed: broers of zussen die niet akkoord gaan, of opvolgers die zich uit vrees voor de hoge schulden vlak voor de overname terugtrekken. Dat er met de kinderen zo weinig over wordt gepraat, komt volgens Maria van den Boer omdat er ook een psychologische barrière is: praten over overname betekent voor de ouders het begin van het einde.

Hoewel recent opinie-onderzoek uitwijst dat het wel meevalt, zijn veel boeren in spe er van overtuigd dat `de burger' een veel te negatief beeld heeft van de agrarische sector. En dat is de schuld van de media. Derdejaars leerlingen van de richting veehouderij, bijeen in de kantine van hun school in Helmond, kunnen zich er behoorlijk over opwinden. ,,Laat ook 'ns iets positiefs zien. Maar nee hoor, het zijn altijd de ergste beelden die worden uitgezonden.'' Vooral het ruimen van dode varkens ten tijde van de varkenspest, de grijpers met kadavers, heeft veel indruk gemaakt. En die wankelende BSE-koe, ook zoiets. Jasper uit Oss: ,,Belachelijk dat ze dat nog steeds laten zien. Bovendien: zelfs de beste koe glijdt nog weg op zo'n spekgladde betonvloer.''

Wel is er het besef dat het anders moet. Jasper: ,,Boeren moeten meer aan het imago van de landbouw werken. Ze moeten hun bedrijf laten zien, burgers moeten weten wat er achter hun voedsel zit.'' En koeien moeten buiten blijven, ook al is het nergens voor nodig en is het wegens de mestafvoer voor het milieu zelfs beter om ze binnen te houden. ,,Koeien in de wei, daar houden burgers van, dat vinden ze leuk om te zien.'' Bas uit Eersel ziet de risico's – ,,als een koe klem zit onder een boxafscheiding, dan moet er flink worden gesjord, dat hoeven de burgers niet te zien'' – maar toch zou het goed zijn als iedereen één keer per jaar op de boerderij komt kijken hoe het er daar aan toe gaat. Want trots zijn de jonge boeren, ondanks alle problemen. Bas: ,,Als zo'n reclame van Melkunie een prijs wint, dat vind ik mooi.'' Pardon? ,,Nou, wij leveren aan Melkunie.''

Koeien in

de wei,

daar houden burgers van, dat vinden

ze leuk om

te zien

Aan biologische landbouw beginnen

ze niet,

de consument pakt toch het goeiekoopste pak melk