Hertogen en vazallen

Op 6 mei kiezen de Schotten hun eerste eigen parlement in drie eeuwen. In het laatste stukje Europa dat grotendeels in feodale handen is, heeft landhervorming een hoge symbool- waarde. Het is ook een heet verkiezingsitem. `Landeigenaars hebben veel te lang geen verantwoordelijkheid hoeven af te leggen.'

De school heeft een bestuur met zes leden en één klas. Met vijf leerlingen. Er is wel een postbode, maar geen bakker. Er is één pub, één minuscuul winkeltje en één rode telefooncel. Vaak regent het pijpenstelen. En als het niet regent, hangen er wel dikke wolken rond de bergen die vrijwel doorlopen tot aan de zee. Er wonen drieduizend schapen, vierduizend herten en veertig mensen.

Knoydart is een langgerekte kaap aan de Schotse westkust, die tussen twee zeearmen – Loch Hemel en Loch Hel – naar het eiland Skye wijst. Knoydart zit vast aan het land. Het is een schiereiland, maar een weg gaat er niet heen. Alleen een omgebouwde vissersboot, die er drie keer in de week met de post en de krant heen tuft vanuit een havenstadje op een uur varen. In feite is Knoydart daarom wel degelijk een eiland. Er is één boer en geen dokter. In het enige dorp, Inverie, staan twee kerken. Een dominee is er niet.

Voor wie houdt van een beetje versterven buiten GSM-bereik, of gewoon een hele dag lopen zonder één mensenziel tegen te komen, is Knoydart een paradijs. Maar de stilte is moeilijk te rijmen met de storm die hier jarenlang heeft gewoed over de vraag van wie deze buitenpost is.

Sinds vorige maand is het antwoord daarop duidelijk: van de bewoners. Dat wil zeggen, van de stichting waarin ze zich hebben verenigd en die wordt gesteund door de overheid, natuurbeschermingsorganisaties en particuliere weldoeners. Na een strijd van jaren en een sluwe publiciteitscampagne slaagde die stichting er in Knoydart ten slotte te kopen. De laatste eigenaar was de zevende sinds 1940, een bijna-failliete BV, die al jaren geen cent in de gemeenschap en de infrastructuur had geïnvesteerd.

Voor 750.000 pond (2,4 miljoen gulden) kregen de bewoners de berg met het mooiste uitzicht van Schotland, een baai met zeehonden, uitgestrekte heidevelden, veenmoerassen, een gebarsten asfaltweggetje langs het kiezelstrand, weiden, naaldbos en een dorp met een café dat zich ,,de meest afgelegen pub van het Britse vasteland'' noemt. Het was een rib uit hun lijf, maar het kostte toch nog minder dan een flink huis in de hippe Londense wijk Notting Hill.

De Knoydart-saga gaat minder over geld dan symboliek. In Schotland verkopen landeigenaars hun grond al eeuwen gewoon aan de hoogste bieder, zonder gemeentelijke bestemmingsplannen en hinderlijke vragen van de belastinginspectie, en vooral over de hoofden van degenen die er wonen en werken. De community buy-out van Knoydart bikt daarom een klein stukje uit het fundament van de laatste feodale provincie van Europa.

Edinburgh mag een mondaine stad zijn met een machtig zakencentrum, Glasgow mag swingen onder een culturele renaissance, en de Noordzee-olie mag van Aberdeen een metropool hebben gemaakt. Maar tussen de lochs en de glens van de Hooglanden heten boeren en vissers al negenhonderd jaar officieel een `vazal' en is hun heer de `superieur' aan wie ze willekeurige belastingen en herendiensten verschuldigd zijn.

De bestuurders van de Knoydart-stichting – geen van allen op hun schiereiland geboren, geen van allen boer of visser en zelfs geen van allen Schot – zijn atypisch. Een gepensioneerde commandant van een Britse kernonderzeeboot, een nogal dranklustige ex-loodgieter met een paardenstaart uit Kent en een energieke zeilinstructeur uit Cornwall met een architectendiploma, zijn geen alledaagse combinatie. Toch bereikten ze samen wat ze eerder niet voor mogelijk hielden. Ze verwierven niet alleen een fraai stuk Schotland, maar bovenal het unieke recht om zelf te beslissen hoe dat het beste kan worden gebruikt.

Landgoederen

Bijna negentiende van Schotland is particulier bezit, verdeeld over zo'n 1.500 landgoederen. De helft van alle grond in privé-handen is eigendom van niet meer dan 350 mensen. In de top-zeven van grootgrondbezitters zitten drie hertogen en een graaf, die met zijn vieren een stuk land ter grootte van Friesland beheren. De Britse koningin Elizabeth komt niet hoger dan de dertigste plaats, maar is altijd nog goed voor 22.000 hectare bos en hei, rond haar Efteling-kasteel Balmoral.

Volgens de Scottish National Party, die op 6 mei de regionale verkiezingen hoopt te winnen, zijn zulke landgoederen ,,de zomerspeelplaats van de jacht- en visbrigade''. Zij wil het grondbezit radicaal hervormen en wil zelfs dat het nieuwe Schotse bestuur land kan onteigenen. Voor een partij die zijn meeste kiezers uit de arme buitenwijken van de grote steden en uit de Schotse mijnstreek betrekt, is dat een verleidelijk standpunt.

In werkelijkheid hebben de adellijke families meestal meer verantwoordelijkheidsgevoel dan een tweede groep landeigenaars. Dat zijn de zakenlieden uit het Midden-Oosten, Azië, de Verenigde Staten en Europa. Die hebben de afgelopen jaren stukken van de Highlands en soms hele eilanden gekocht als trofee of belegging, maar ze laten er zelden hun neus zien. Als de landeigenaar tevens de enige werkgever is, zoals meestal, zijn de bewoners machteloos.

Tycoons zijn op zoek naar Schotse roots of – in het geval van Knoydart – grondspeculanten denken alleen aan een jachtweekeinde met vrienden of aan belastingconstructies, zeggen actievoerders en radicale politici. Voor de delicate balans van bos, hei en water, en voor de wensen en ideeën van de plaatselijke bevolking hebben al die afwezige, nalatige of anonieme eigenaars geen oog.

Knoydart wil bewijzen dat het anders kan. Het is een testcase voor de tientallen lokale gemeenschappen verspreid over Schotland die óók hun lot in eigen hand willen nemen. Succes is niet verzekerd. ,,De koop is pas het begin, maar voor het eerst sinds decennia is dit land tenminste van onszelf'', zegt Toby Robinson, de zeilinstructeur, in zijn loods waar hij eiken planken stapelt om later een huis van te bouwen.

,,Ons zelfvertrouwen is geweldig gegroeid'', zegt Roger Trussell, de onderzeebootkapitein, aan zijn keukentafel. Achter het raam kaatst de eerste zon van dit voorjaar op de sneeuw die nog veel bergtoppen bedekt. Over het water van de baai trekt een vissersbootje een lange V. ,,Maar na de euforie zijn we realistisch geworden. Het komt er nu op aan talent aan te trekken. Wij willen geen extra vakantiehuizen die meestal leeg staan, maar mensen met vaardigheden waar het hier aan ontbreekt: een elektriciën, een metselaar en iemand die Landrovers kan repareren, het liefst gezinnen met kinderen. Knoydart moet allereerst als gemeenschap vers levensbloed krijgen.''

Het geworven geld dat in de aankoop ging zitten is `dood'. Om hun ambitieuze business plan voor een nieuwe aanlegsteiger, een weg, een hotel, een bosbouwproject en een nieuwe riolering te financieren is behalve talent ook nieuw geld nodig. Zoals veel plekken in de Hooglanden hoopt ook Knoydart daarvoor op het toerisme, met een kleiner aandeel voor de verhuurde hertenjacht en ruimer baan voor wandelaars, klimmers en zalmvissers. Maar toerisme is geen wondermiddel. ,,De mensen komen hier voor de natuur en de eenzaamheid'', zegt Robinson. ,,Als je niet uitkijkt krijg je er snel te veel. Het moeten er genoeg zijn om Knoydart te bedruipen, maar te weinig om het te vernietigen. Die balans moeten we zien te vinden.''

Lakmoesproef

Knoydart is ook een lakmoesproef voor de politiek. Over twee weken krijgen de Schotten een eigen parlement, voor het eerst sinds het koninkrijk Schotland in 1707 zijn onafhankelijkheid opgaf en een unie met Engeland sloot. Het afsterven van het British Empire, de opkomst van andere Europese regio's en vooral de gure wind die in de Thatcher-jaren uit Londen woei, hebben de Schotse roep om meer zelfstandigheid aangewakkerd. De Britse premier, Tony Blair, hoopte de Schotten tevreden te houden door een deel van de macht over te hevelen van Westminster naar Edinburgh. Zo mag het nieuwe parlement zelf bepalen hoe het de gezondheidszorg, het onderwijs en een deel van de economie inricht.

Maar de Scottish National Party (SNP), de grootste concurrent van Labour tijdens de verkiezingen van 6 mei, ziet dat parlement als eerste stap op weg naar onafhankelijkheid. Als ze wint, houdt ze binnen vier jaar een referendum over afscheiding, heeft de partij aangekondigd. Want ,,Schotten weten het beste wat goed is voor Schotland''.

In de verkiezingscampagne, die dezer dagen op oorlogssterkte draait, is landhervorming een belangrijk thema. Buitenlandse grootgrondbezitters en de adel, born Tories die nauwe banden hebben met de koningin in het koloniale Londen, knechten het Schotse volk, vindt de SNP. Daarom is het tijd voor `herverdeling van de rijkdom', aldus het partijprogramma op fris-marxistische toon. De barre Highlands, met hun clans, doedelzakken en sympathieke vechtersbazen-voor-de-Schotse zaak, vormen al eeuwen de kern van de nationale mythe. Veel Schotten stammen bovendien af van kleine boeren die tot in de negentiende eeuw van hun land werden gejaagd om plaats te maken voor schapen. Bij hen gaat die roep om een rondje revolutionair landjepik er best in.

Dat de nationalisten de verkiezingen winnen, is intussen niet waarschijnlijk. Veel Schotten schrikken nog terug voor de radicale agenda en het gebrek aan politieke ervaring bij de SNP. Wel wordt de partij vermoedelijk de één na grootste en in het nieuwe parlement een machtsblok van belang. In haar strijd om SNP-stemmen te kapen heeft Labour zich het afgelopen jaar daarom óók op de landhervorming gestort.

Een van de eerste wetsvoorstellen die het nieuwe parlement zal behandelen is een landhervormingswet, beloofde Donald Dewar, de huidige Labour-minister voor Schotland en beoogd `premier' van het komende zelfbestuur in Noord-Brittannië. Volgens die wet krijgen lokale bewoners meer zeggenschap in het gebruik van hun land. De overheid helpt ze bij projecten die de plattelandseconomie stimuleren, ook moet er een openbaar register komen waarin precies staat wie welk stuk grond bezit. Zo'n kadaster ontbreekt nu. En alleen in de allerschrijnendste gevallen van mismanagement moet de overheid eigenaars bovendien kunnen dwingen hun land tegen een vastgestelde prijs te verkopen, aldus het wetsvoorstel.

Knoydart was zo'n schrijnend geval en reden voor de overheid om nu al financieel bij te springen. Maar SNP-woordvoerder Angus Robertson beschouwt de reddingsoperatie als een publiciteitsstunt van Labour. Ze schrikken terug voor de radicale hervormingen, zegt hij, die in werkelijkheid nodig zijn om een eind te maken aan het chronische leed onder boeren dat niet de kranten haalt. De SNP wil daarom dat er een uniform systeem voor heel Schotland komt waarbij eigenaars en bewoners contracten sluiten voor een vaste periode, waarbij nieuwe `landraden' toezicht houden. ,,Landeigenaars hebben veel te lang geen verantwoordelijkheid hoeven af te leggen'', aldus Robertson.

Simon Blackett, rentmeester van het landgoed Invercauld, bestrijdt dat mismanagement aan de orde van de dag is en ziet in de SNP-campagne een diepgeworteld onbegrip voor het leven op het platteland en ook een forse dosis ,,afgunst''. De praktijk is anders, zegt Blackett in zijn kantoortje waar het naar hars ruikt van de gezaagde bomen die buiten op transport liggen te wachten. ,,De meeste landeigenaren hebben het beste met hun land en hun bevolking voor.''

De bewoners van Knoydart wenst hij intussen ,,alle goeds'' toe. ,,Ze willen het met elkaar beter beheren dan een traditionele eigenaar, maar het is te klein, te fragiel en te afgelegen voor grote veranderingen. Ze zullen snel ontdekken dat ze dezelfde problemen tegenkomen als vorige eigenaars, vrees ik.''

Gespikkelde veenkip

Er zijn weinig Schotse landgoederen die zo `traditioneel' zijn als Invercauld. Het is eigendom van een adellijke familie, het behoort tot de allergrootste van de Highlands, het ligt prettig tegen de domeinen van prins Charles en zijn moeder aan, en het wordt vooral gebruikt als sporting estate. Dat wil zeggen: voor de jacht op herten en op het Schotse korhoen, de gespikkelde veenkip die buiten Schotland vooral bekend is door het whiskymerk Famous Grouse.

Toeristen, althans van de caravantrekkende soort, heeft Blackett het liefst zo min mogelijk in zijn omgeving. En hij heeft ze ook niet nodig, zegt hij. ,,Dit landgoed kan in zijn eigen onderhoud voorzien met jacht, bosbouw en het boerenbedrijf. Het houdt niet over, door de crisis in de landbouw, maar er hoeft ook geen geld bij. We hoeven het tafelzilver nog niet te verkopen.''

Uit vrees voor de SNP is de Schotse landadel een fors stuk opgeschoven in de richting van de minder radicale Labour-voorstellen. Invloedrijke grootgrondbezitters als de hertog van Buccleuch, een grote schapenboer, de bejaarde industrieel Sir Donald Cameron en ook Captain Alwyn Farquharson, de eigenaar van Invercauld, hebben de Labour-agenda in grote lijnen omarmd.

Donald Dewar ziet in de landeigenaars een bondgenoot tegen de afscheidingsplannen van de SNP en heeft geen gelegenheid onbenut gelaten de eigenaars gerust te stellen. De overheid zal nauwelijks gebruik hoeven maken van haar volmachten, aldus Dewar, want de meeste landeigenaars doen het goed.

De nieuwe eendracht leidt tot een nogal bizar schouwspel. De Schotse baronnen en graven, een kaste van tweeddragers en maltnippers die vroeger in splendid isolation leefden, pleiten nu voor `overlegorganen' en openstelling van hun landgoederen voor wandelaars. Ze laten milieustudies verrichten voor hun land- en bosbouwprojecten. Zelfs staan ze mondjesmaat de pers te woord.

,,Wij willen aantonen dat wij heel goed onszelf kunnen reguleren'', zegt hereboer Andrew Dingwall-Fordyce, voorzitter van The Scottish Landowners Federation (SLF) bij een kopje thee met froufroutje in zijn club in Edinburgh. ,,Men verwijt ons dat we de ontwikkeling van het platteland frustreren, maar dat is niet waar. Wij zijn óók tegen slechte landeigenaars, vóór een kadaster en vóór het wegnemen van regels die investeringen belemmeren. Het woord `gemeenschap' betekent steeds meer en we willen delen wat we hebben, up to a point. Maar we zijn tegen een groep bureaucratische stadsbewoners die ons wel eens komt uitleggen hoe je het beste een landgoed kan runnen.''

Phil Glenny, een boswachter van de National Trust for Scotland (NTS), parkeert zijn Landrover langs de weg en wijst op een helling vol verweerde boomstronken. Het zijn de resten van wat eens een statig bos geweest moet zijn. Hier, op het landgoed Mar Lodge, niet ver van Invercauld, waren het Canadese houtvesters die de dennen velden om er munitiekistjes van te maken voor hun landgenoten die Europa aan het bevrijden waren. Elders in Schotland sneuvelden eiken en dennen de afgelopen eeuwen en masse voor scheepsbouw, voor houtskool, of gewoon om ruimte te scheppen voor schapen. De kale heuvels zijn mensenwerk. Dat ze merendeels kaal bléven, hebben mens en dier samen bereikt. Grazende schapen en herten zorgen nog steeds dat opschietende jonge bomen weinig kans krijgen. ,,De schapenkudden zijn kleiner dan een eeuw geleden, maar er zijn meer herten dan ooit'', zegt Glenny. Zo bereiken ook de laatste stukken Caledonian pine, de langzaam groeiende inheemse den van Schotland, hun maximum leeftijd zonder dat het bos zich kan verjongen, en sterven.

Het verkleinen van de kuddes herten door gericht afschot is jarenlang taboe geweest. Al betoogden bosbeheerders dat de schade door grazende herten drie keer groter is dan de totale omzet van het Schotse jachtbedrijf, tot voor kort kregen ze nauwelijks gehoor bij de eigenaars.

Mar Lodge, in 1995 aangekocht door de NTS die zich inzet voor natuur- en cultuurbehoud, is één van de eerste gebieden waar die praktijk is doorbroken. Volgend jaar zal het aantal herten zijn teruggebracht tot 1.650, eenderde van het oorspronkelijke aantal. Mar Lodge is geen sporting estate meer, maar een natuurpark dat jaarlijks tweehonderdduizend bezoekers trekt. Die mogen vrij rondlopen, maar er moet ook commercieel gejaagd blijven worden, bedong de laatste eigenaar, de Amerikaanse miljardair John Kluge, die zijn fortuin maakte in de porno-industrie.

Die botsende belangen moeten nu óók nog verzoend met de laatste trends in het natuurbeheer. Zo krijgt de rivier in het dal de vrije loop en geschiedt transport in het park met pony's. Hekken worden weggehaald en er wordt niets aangeplant en ook niets omgezaagd, ook niet de in de vorige eeuw aangeplante coniferen, die bos-puristen nu zo storend vinden.

De poging om al die belangen te verzoenen klinkt in Nederlandse oren vertrouwd. Sterker, het beheer van Mar Lodge ís een stukje poldermodel. Want de Nederlandse zakenman, SHV-chef Paul Fentener van Vlissingen, die het Schotse landgoed Letterewe bezit, leverde de blauwdruk.

Begin jaren negentig ging hij met alle partijen die van zijn land gebruikmaakten – boeren, vissers, bosbouwers, jagers, wandelaars en de milieubeweging – rond de tafel zitten en sloot een compromis dat bekend is geworden als de Lettereweverklaring. ,,Dat was voor het eerst en die verklaring is ons baken'', zegt Glenny. ,,Kek-kek-kek'', roept een langssuizende slechtvalk als was het om zijn woorden te onderstrepen.

,,Vrije toegang combineren met het behoud van jachtsport – dat zou je vijftig jaar geleden niet voor mogelijk hebben gehouden, maar wij willen bewijzen dat het hier begint te werken. Je moet hier leren kijken op een tijdschaal van tweehonderd jaar. Maar het begin is er.'' Glenny wijst op de stronken waartussen gifgroene dennenscheuten hun kop omhoog steken. ,,Over een paar jaar groeien hier weer bomen.''

De barre Highlands vormen

met hun clans en doedelzakken al eeuwen de kern

van de nationale mythe

Mar Lodge is geen sporting estate meer, maar een natuurpark waar bezoekers vrij mogen rondlopen