Gezond oordeel

`NEDERLANd heeft een sterke, innovatieve traditie op het gebied van het onderzoek naar hart- en vaatziekten. Ook in het kankeronderzoek en dat van de immunologie gaat Nederland voorop in Europa. Het onderzoek in de epidemiologie en de biostatistiek is goed ontwikkeld en omvat zeer sterke en productieve groepen. Over het geheel genomen zijn het (bio)medisch onderzoek en de gezondheidswetenschappen in Nederland van een goede kwaliteit.'

Dit schrijft de International Assessment Committee (IAC) in het Discipline report on (bio)medical and health sciences research in the Netherlands 1998. De internationale beoordelingscommissie presenteerde het Discipline-advies Geneeskunde op 13 april in het Trippenhuis, de zetel van de KNAW (Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen).

Het onder de gezamenlijke verantwoordelijkheid van de KNAW en de VSNU (Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten) opgestelde advies is grondig uitgewerkt: het telt bijna 800 dichtbetypte pagina's. De International Assessment Committee heeft de kwaliteit van de onderzoeksthema's en het management beoordeeld, terwijl de nationale Commissie voor het Discipline-advies Geneeskunde (cDAG) zich wijdde aan de evaluatie van de subdisciplines, de apparatuur en de leeftijd en het geslacht van de onderzoeksstaf.

Om het onderzoek goed met elkaar te kunnen vergelijken zijn 100 hoofdprogramma's onderscheiden, ingedeeld in 14 clusters. Het omvangrijkste cluster is Immunologie. Elk hoofdprogramma is eerst beoordeeld door minstens twee anonieme externe deskundigen van internationale faam. Zij gaven aan wat naar hun mening de wetenschappelijke kwaliteit, de productiviteit en de globale kwaliteit van het betrokken hoofdprogramma was. Ook de levensvatbaarheid op de lange termijn kwam aan de orde. Op grond van deze uitspraken gaf de IAC een eindoordeel in een vijfpuntsschaal. Van de hoofdthema's bleek 15% uitstekend, 46% goed, 36% bevredigend en 3% onvoldoende. Geen enkel onderzoek werd echt slecht bevonden.

Opvallend goed scoort het Nederlands Kanker Instituut/Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis, dat vier keer uitmuntend behaalt: de moleculaire biologie (`hoge significantie'), de immunologie (`erg productief, veelbelovend en alle steun waard'), de ontwikkeling, groei en differentiatie (`zeer interessant en relevant onderzoek') en de celbiologie (`excellent onderzoeksteam dat belangrijke en blijvende bijdragen levert'). Het eveneens als uitmuntend beoordeelde Leidse onderzoeksprogramma Hematologie ontlokt de commissie het lovende commentaar: `Leiden en trombofilie zijn bijna synoniem'.

Het Nederlands Herseninstituut scoort minder met tweemaal goed en tweemaal voldoende. Het hypothalamusonderzoek zal volgens het rapport `vermoedelijk geen definitieve antwoorden opleveren', het onderzoek naar het dag/nachtritme is `conventioneel' met een `twijfelachtige' levensvatbaarheid. Het onderzoek naar de genen die een rol spelen bij de herstel van zenuwletsel vindt de commissie: `een opmerkelijk maar riskant project'.

Slechts drie hoofdprogramma's zijn onvoldoende. Een daarvan is het ethisch onderzoek aan de Amsterdamse Vrije Universiteit. Ook productiviteit van het parasitologisch onderzoek aan het Rijswijkse Primaten Onderzoekscentrum wordt onbevredigend genoemd, maar die groep bestond in 1996 pas een paar jaar. Bij het derde onbevredigende onderzoek, het groei- en ontwikkelingsproject aan de Universiteit van Maastricht, noemt de commissie een wél goed presterende onderzoeker apart, omdat hij anders de dupe zou worden van het strenge oordeel: `Deze groep heeft een laag aanzien in het hele veld. Het meeste werk is beschrijvend. Er zijn veel wetenschappelijke publicaties maar ze zijn van een lage kwaliteit. Een opvallende uitzondering is het werk van Van Straaten, wiens kwaliteit hierbij duidelijk afsteekt.'

Hoewel het uiteindelijke oordeel in het Discipline-advies Geneeskunde in het algemeen bepaald niet negatief uitpakt voor het Nederlandse medische onderzoek en de gezondheidswetenschappen, zegt IAC-voorzitter prof.dr. J.H. van Bemmel dat het resultaat hem toch wat tegenvalt: ``Er zijn al twee nationale beoordelingsrapporten van de cDAG geweest, in 1988 en 1994. Als je bedenkt dat dit dus al het derde disciplineplan is en dat er op basis van elk van die rapporten is bijgestuurd en bijgesteld, dan valt het mij eigenlijk wat tegen dat er nog steeds zo'n grote groep in de categorie goed en voldoende valt. Als je mee wilt komen in de wereld, moet je bij de bovenste helft horen.''

cDAG-voorzitter prof.dr. L.B.A. van de Putte is wat positiever: ``De globale conclusie van de IAC is toch dat we het in Nederland vrij goed doen. Helaas is er het probleem dat er geen vergelijkbare rapporten elders in de wereld zijn.''

Nederlandse faculteiten en instituten hebben vaak een hoog percentage vaste stafleden, wat ten koste gaat van het aantal jonge onderzoekers. Van Bemmel: ``Faculteiten zouden een behoorlijk percentage van het geld dat nu in vaste banen zit moeten omvormen tot een speciaal fonds voor jonge onderzoekers. Je zou een promovendus die een bepaald niveau heeft bereikt drie of vier jaar de kans moeten geven om het onderwerp waar hij mee bezig is, verder uit te werken. Maakt die het waar, dan moet je de mogelijkheid hebben om zo iemand een carrièrepad te bieden. Komt er niets uit, dan is het helaas afgelopen. Zo kunnen we de beste mensen vasthouden.''

De IAC noemt het verder `bijzonder teleurstellend' dat de Nederlandse regering besloten heeft nog verder te snijden in het onderzoeksbudget. Van Bemmel: ``Inderdaad maakt Nederland bepaald geen beste beurt vergeleken met andere Westerse landen. In de VS en Groot-Brittannië zijn de budgetten juist met 15% verhoogd. Als je ziet wat er voor uitdagingen aankomen op het gebied van de gezondheidszorg, dan kun je toch moeilijk zeggen dat het wel met minder toe kan.''