Een aex voor de natuur

Het Natuurplanbureau in Bilthoven werkt aan een zogeheten Ecologische Kapitaal Index (eki). Via deze index kunnen politici en beleidsmakers snel zien of het biodiversiteitsbeleid succesvol is. Maar zitten in zo'n berekening niet te veel politieke keuzes verborgen?

WANNEER GAAT het goed met de biodiversiteit? Moeten we juichen als er ergens in een weidegebied duizenden grutto's meer zitten vergeleken met vijf jaar geleden? Of zijn dat er te veel? Heet dat dan weer verarming? Of is het zaak om vooral zeldzame en bedreigde soorten, zoals zonnedauw, ijsvogel en otter, te monitoren?

Het effect van natuurbeheer is al door vele instanties gemeten – op evenveel verschillende manieren. En, alsof het nog niet genoeg is: daar komt nu weer een nieuwe meetmethode bij. De afgelopen jaren heeft dr. Ben ten Brink, verbonden aan het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) in Bilthoven, samen met collega's van het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (LNV) en het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), de zogeheten Ecologische Kapitaal Index (EKI) of NatuurWaarde ontwikkeld. De onderzoekers lieten zich inspireren door de economische AEX-indicator, een maat voor de economische groei. Er is een gerede kans dat deze waarderingsmethode wordt overgenomen en verder uitgewerkt door het Natuurplanbureau.

Dit bureau, gehuisvest bij het RIVM, is in 1997 ingesteld om het parlement en de beleidsmakers jaarlijks te melden hoe de Nederlandse natuur er voor staat. Onder leiding van het bureau zijn een aantal onderzoekers – voornamelijk afkomstig van het RIVM, de Dienst Landbouwkundig Onderzoek (DLO) en het CBS – druk aan het debatteren hoe ze de voor- en achteruitgang van de biodiversiteit in Nederland in getallen gaan uitdrukken. Vóór de zomer wil het bureau beslissen welke weg het hierbij gaat bewandelen. Mogelijk wordt de EKI zelfs internationaal overgenomen. De Nederlanders hebben hem inmiddels weten in te brengen in het biodiversiteitsverdrag: in diverse landen starten proefprojecten waarin de biodiversiteit met de nieuwe methode wordt gemonitored.

Het vage begrip `biodiversiteit' is in de mode sinds de milieuconferentie in 1992 in Rio de Janeiro. Toen besloten ruim honderdvijftig overheden eensgezind dat de biodiversiteit op aarde gekoesterd moet worden. Alleen: biodiversiteitsbeleid kost miljarden guldens. Boeren moeten hun bemestingsplan aanpassen, fabrieken moeten alternatieven vinden voor grondwateronttrekking, er moeten ecologische verbindingszones worden aangelegd, oevers moeten opnieuw worden ingericht, enzovoorts. Beleidsmakers en politici willen graag weten of al die ingrepen succesvol zijn. Als het inderdaad zoden aan de dijk zet, kunnen de investeringen wellicht worden teruggeschroefd.

Maar hoe meet je een vooruitgang van de biodiversiteit op landelijk niveau? Hoe zullen onderzoekers ooit tegen het parlement kunnen zeggen: dankzij het terugdringen van de bemesting tot een tiende van wat het was is het met de biodiversiteit in Nederland drie keer beter gegaan? Kan de EKI hier uitkomst brengen?

ZOMPIGE MOERASSEN

Ten Brink en zijn collega's willen via de EKI de natuurlijkheid van ecosystemen waarderen. Hoe meer een bepaald stuk heuvelland, duingebied of zeekleigebied lijkt op zijn natuurlijke staat, hoe hoger de Ecologische Kapitaal Index uitvalt. Maar wat is natuurlijk? Waar nu de kale, soortenarme veenweidegebieden liggen, lagen vijfhonderd jaar geleden zompige moerassen met muggen. Die willen veel mensen niet terug; zij willen het schitterend landbouwgebied van Jac P. Thijsse, vol bloeiende, kleurige weidebloemen, reptielen, vlinders en vogels. Anderen willen juist strakke, overzichtelijke weides; weer anderen willen spannende, wilde `oernatuur' die aan zichzelf wordt overgelaten.

De EKI gaat niet simpelweg uit van de soortenrijkdom, zoals vele andere meetmethoden wel doen. ``Met soortenrijkdom als criterium voor biodiversiteit zouden de soortenarme Wadden en de toendra's altijd laag scoren, terwijl die wel heel waardevol zijn'', aldus Ten Brink. ``Anderzijds zou zelfs een zwaar aangetast tropisch regenwoud nog hoog scoren. Bovendien is soortenrijkdom niet te meten omdat er zoveel soorten zijn.''

De EKI richt zich ook niet op voor- of achteruitgang van zeldzame of bedreigde soorten, zoals diverse modellen doen die de afgelopen twintig jaar zijn ontwikkeld. Meer zonnedauw, orchideeën, zeehonden of ijsvogels, betekent dan misschien dat de natuurkwaliteit is gestegen, maar het is een end of pipe benadering. Volgens Ten Brink ben je al te laat wanneer je focust op louter zeldzame soorten. ``De discussie over de otters kwam pas op gang toen ze bijna uit Friesland waren verdwenen. Maar het ging al jaren steeds slechter met de otter. Dat hadden we alleen niet in de gaten, want er werd pas naar gekeken toen er bijna geen individuen meer over waren.''

Volgens Ten Brink kan er ook een vertekend beeld ontstaan als men zich slechts op enkele soorten richt. Een vooruitgang voor een bepaalde soort hoeft nog geen verbetering van het hele natuurgebied te betekenen. ``Sommigen zien de verdubbeling van het aantal scholeksters langs de Noordzee als een vooruitgang voor de natuur'', illustreert de gedreven onderzoeker. ``Maar volgens onze benadering is dit een achteruitgang. Deze soort profiteert van eutrofiëring, van de intensieve mosselcultuur en van bemeste graslanden. Ik zeg altijd: de essentie van biodiversiteitsverlies is dat het met heel veel soorten qua aantal individuen steeds slechter gaat, en met enkele soorten juist steeds beter. Dát proces moet je steekproefsgewijs volgen.''

Bij het opstellen van de EKI hebben de onderzoekers allereerst onderscheid gemaakt tussen cultuurlandschap en natuurgebieden. Ze onderscheiden vervolgens circa twintig typen ecosystemen die qua voorkomen van bepaalde indicatorsoorten, of van hun aantallen individuen, systematisch moeten worden gevolgd. Als referentie voor cultuurgebieden wordt de periode vóór de industrialisatie van de landbouw genomen, tussen 1900 en 1950. Lijken de agrarische laagveengebieden of de agrarische rivierengebieden weer helemaal op die van 1950, dan krijgen deze honderd procent natuurkwaliteit; zijn de bloemen, insecten en vogels van toen helemaal verdwenen, dan krijgen ze een natuurkwaliteit van nul procent.

Voor natuurgebieden zoals bos op heuvelland of heide op de hogere zandgrond wordt een andere referentie genomen: met ecosysteemtheorieën, historische bronnen en vergelijking met het buitenland gaan de onderzoekers na wat je er van nature kunt verwachten. Naarmate bijvoorbeeld het laagveengebied in Nederland meer op zijn natuurlijke staat gaat lijken, krijgt het een hogere natuurwaarde.

De natuurkwaliteit is echter maar één aspect van de Ecologische Kapitaal Index. Voor het eindgetal wordt de natuurkwaliteit van een ecosysteem vermenigvuldigd met de hoeveelheid areaal. Afname van biodiversiteit is immers ook te wijten aan areaalverlies.

Ten Brink en zijn collega's hebben een eerste poging gedaan om de EKI van Nederland te bepalen (zie kader). De gegevens kwamen van onder meer Rijkswaterstaat, gemeenten, het Instituut voor Bos en Natuuronderzoek (IBN-DLO) en particuliere gegevensverzamelende organisaties zoals Stichting Vogelonderzoek (Sovon), de Vlinderstichting en Floristisch onderzoek Nederland (Floron). Zij probeerden op basis van archiefgegevens te schatten hoe het voorkomen van soorten in diverse ecosystemen in Nederland is veranderd sinds het referentiejaar. Uiteindelijk komen de onderzoekers tot de sombere conclusie dat dé EKI voor heel Nederland in 1990 ongeveer eenderde is van die in 1900. Deze drastische achteruitgang van de natuur is onder meer te wijten aan bebouwing, bemesting, verzuring, verdroging en ruilverkaveling.

Binnen het Natuurplanbureau zijn de biologen op één lijn aan het geraken wat betreft deze evaluatiemethode. Wat de moeizame discussies uiteindelijk iets heeft vergemakkelijkt is de constatering dat je, als je de voor- of achteruitgang van bedreigde soorten als uitgangspunt neemt, impliciet óók 1950 of 1900 als referentie neemt. Daarvoor was immers niet bekend wat in Nederland zoal voorkwam.

Buiten het Natuurplanbureau heerst de nodige scepsis over de EKI. Volgens critici zit er te veel willekeur in de bepaling van wat natuurlijk is voor een ecosysteem. ``Waarom zou er een bovengrens moeten zijn aan de hoeveelheid zeehond of parnassia in Nederland'', riposteert ecoloog Flip Witte, die een natuurwaarderingsmethode evalueerde die nu wordt gebruikt bij milieu-effectrapportages. ``En waarom zou je in een gebied waar de veldleeuwerik in 1950 niet voorkwam, deze soort negatief waarderen?'' Witte houdt het toch liever bij het uitgangspunt dat het goed gaat met de natuur als het goed gaat met de bedreigde soorten, ondanks de principiële bezwaren die Ten Brink hiertegen heeft. Witte: ``Ik denk dat onze ecologische kennis veel te beperkt is om voor soorten te kunnen uitmaken wanneer er te veel van zijn.''

POLITIEKE KEUZES

Wim ter Keurs, hoofd milieubiologie van de Universiteit Leiden, vindt dat er wel erg veel politieke keuzes in de Ecologische Kapitaal Index zitten. Zoals de keuze om 1950 of 1900 als referentie te nemen. ``Het risico van zulke exercities is dat een kleine groep biologen uit dezelfde subcultuur de keuze voor zo'n referentie maakt. Maar biologen, boeren, stedelingen of mensen uit de recreatiesector denken allemaal anders over biodiversiteit.'' Witte merkt op dat zelfs wanneer je het eens zou zijn over de referentie, er nog steeds vele onzekerheden aan de precieze vaststelling van de referenties kleven. Zo kwamen in veel gebieden de natuurliefhebbers vroeger niet, soms om de simpele reden dat laarzen te duur waren.

De vele keuzemogelijkheden binnen de methode maken, zo vreest Ter Keurs, het risico op manipulatie van de uitkomst wel erg groot. ``Cijfers lijken objectief en wetenschappelijk, maar hoe je er toe komt is vaak buitengewoon aan discussie onderhevig. Die belangrijke discussies kunnen alleen worden gevoerd als de aannames bij zo'n EKI heel helder worden gerapporteerd. Maar zal dat gebeuren? Met name als alleen overheidsinstituten zo'n EKI gaan uitwerken maak ik me zorgen. Als ministers worden afgerekend op natuurbeleid gaan ze echt niet rustig zitten afwachten met welke objectieve getallen het Natuurplanbureau komt. De mainstream van de biologen laat zich nu eenmaal gemakkelijk onder druk zetten. Ben ten Brink hoort daar beslist niet bij. Maar wie werken die EKI over tien jaar uit?''

De particuliere gegevensverzamelende organisaties Floron en de Vlinderstichting, die de `proef-EKI' voor Nederland mee hebben bepaald, vinden de nieuwe methode voldoende bruikbaar. ``Als ecoloog doet het pijn aan je hart dat natuur wordt gevangen in één getal'', zegt Kees Groen van Floron. ``Maar de Tweede Kamer moet aan eenvoudige getallen kunnen zien dat het niet goed gaat met de natuur op de hogere zandgronden of in de duinen. Dan kan ze vragen: minister, wat gaat u aan de zandgronden doen?'' Chris van Swaay van de Vlinderstichting noemt het voordeel van 1900 of 1950 als referentie: ``Wij volgen de vlinderstand pas vanaf 1990. Als je dan in 1999 van een zeldzame vlinder dertien exemplaren vindt in plaats van tien, denk je lekker bezig te zijn. Maar als vervolgens uit onderzoek in naslagwerken en musea blijkt dat diezelfde vlinder in 1950 met honderden tegelijk voorkwam, zie je pas hoever je nog af bent van wat in Nederland zou kunnen.''

De organisaties achten het in ieder geval een vooruitgang dat in Nederland op één manier systematisch de veranderingen in flora en fauna worden gemonitored. Nu is het nog zo dat de provincies, de diverse onderzoeksinstituten en de particuliere gegevensverzamelende organisaties ieder een eigen methode hanteren om het effect van biodiversiteitsbeleid te meten. De komende jaren gaat de overheid, onder de vlag van het nieuwe Netwerk Ecologische Monitoring (NEM), met allerlei organisaties contracten afsluiten over de aanlevering van gegevens. De vrijwilligers van Floron bijvoorbeeld gaan vanaf deze maand op 4000 locaties van een vierkante kilometer, verspreid over heel Nederland, systematisch de veranderingen in de flora volgen.

calimero-gevoel

Toch hoeft voor Ter Keurs zo'n EKI niet. Belangrijker vindt hij een rapportage waarin iedereen kan terugvinden wat hij wil weten: hoe gaat het met de weidevogels, met de planten, de zeehonden, de hogere zandgronden? ``Ik heb het gevoel dat biologen last hebben van het Calimero-gevoel. De economen hebben een AEX-index, en zij willen ook zoiets voor de natuur. Ik ben niet zo gelukkig met die verregaande verzakelijking en objectivering van de natuur. Onderzoek naar vormen van menselijk handelen die natuur en milieu minder schaden vind ik belangrijker.'' Ter Keurs ontwikkelde een methode om boeren die aan agrarisch natuurbeheer doen te betalen per vogelnest en per teruggekeerde plantensoort. ``Inderdaad, dat gaat ook uit van een verzakelijking van de natuur. Maar deze waarderingsmethode is wel transparant. Bij de EKI heb ik het idee dat de reductie van gegevens te ver gaat.''

Dat het effect van biodiversiteitsbeleid in Nederland verfijnder moet worden gepresenteerd dan alleen via één Ecologische Kapitaal Index voor Nederland, was ook de inzet van een discussie onlangs bij Natuurmonumenten. Want stel je voor: de EKI voor Nederland gaat iets vooruit en politici besluiten op basis daarvan te bezuinigen op natuurbeleid. Terwijl het misschien wel heel slecht gaat met de hogere zandgronden, of met de weidevogels. ``Oh, dat zou vreselijk zijn'', reageert Ten Brink. ``Maar het is onze inzet helemaal niet om met één getal te komen. Er moet altijd een verhaal bij. Het Bruto Nationaal Product nam in de jaren zestig toe, maar de scheepsbouw ging verloren. We zijn er zelf bij om te zorgen dat het complete verhaal er komt.''