De kinderen van Stenkovec

Wanneer gaan we naar huis, willen de kinderen weten. Waarom hadden die mannen maskers voor? Overdag voetballen ze, 'snachts worden ze schreeuwend wakker. Naar het leven getekend in een kamp in Macedonië.

We gaan op vakantie, zei papa. Maar het was helemaal niet leuk. We moesten heel veel lopen en wachten. En toen we er bijna waren, moesten we weer wachten op een grasveld. Toen het ging regenen hebben papa en ik een tent gebouwd. Dat was leuk. Maar 'snachts was het heel koud. Mama moet veel huilen. Ik wil naar huis.'' Ibrahim (7) kijkt vragend naar zijn vader. ,,Nog niet'', zegt zijn vader, ,,misschien gaan we eerst nog naar oom Bilal in Duitsland.'' Ibrahim veert op, loopt juichend weg en gaat weer voetballen met zijn vrienden. ,,Ik kan hem op dit moment toch moeilijk vertellen dat ons huis in Lukare aan puin is geschoten'', zegt Abedin Zhuniqi. ,,Ik hoop dat we zo snel mogelijk toestemming krijgen om naar mijn broer in Hamburg te gaan. Daarna zien we wel weer verder.''

Twee teams van zeven jongetjes spelen een potje voetbal in het vluchtelingenkamp Stenkovec. Het kamp ligt op ongeveer tien kilometer afstand van de grens tussen Kosovo en Macedonië. De witte en legergroene tenten waarin ongeveer vijftienduizend mensen bivakkeren, liggen verspreid over een groot aantal heuvels. Twee jongens van dertien en veertien jaar zitten op de hoogste heuvel en wijzen naar de flats in de verte. ,,Dat is Skopje'', leggen ze uit. ,,Daar gaan we binnenkort een Big Mac eten bij McDonald's.''

De Franse militairen die het kamp bouwden, hebben van ruw houten balken twee goals gemaakt. Grote bagagenetten, ooit gebruikt om per helikopter goederen te vervoeren, dienen als doelnet. Peuters in bemodderde trainingspakken klauteren in de dikke netten. De voetballende jongens staan het minzaam toe. Isuf, een vriendje van Ibrahim, maakt een doelpunt. Hij is de man van de wedstrijd, want hij heeft niet alleen gescoord maar en passant ook een peuter uit het net geschoten. Trots incasseert hij de inleg van de weddenschap: een handvol knikkers.

,,Ze kunnen eindelijk weer schreeuwen en gillen'', zegt Sjemsi Begaj, terwijl ze een kampvuurtje oppookt. ,,We hebben een week in de kelder van ons huis in Priština gezeten om ons te verstoppen voor de Serviërs. Een oppervlakte van vier bij vier meter met negen mensen. De kinderen waren muisstil, alsof ze zich bewust waren van de barbarij op straat.''

Soms komen de vragen. Wanneer gaan we naar huis? Waarom hadden die mannen maskers voor? Waarom maken ze alles kapot? Waarom slaan ze? Sjemsi: ,,Ik weet het niet, zeg ik dan maar tegen mijn kinderen. Ik kan toch moeilijk aan mijn twee jongens van drie en negen, en mijn twee meisjes van vijf en acht uitleggen dat de Serviërs ons willen uitroeien.''

Een groepje jongens van ongeveer tien jaar komt op patrouille voorbij. Van krattenhout hebben ze geweren gemaakt. Een oude man ziet het hoofdschuddend aan. ,,Ze zullen de situatie in Kosovo wel naspelen'', zegt hij. Maar het blijken Franse militairen te zijn. Bij elke stap die ze zetten klinkt luidkeels: `mais oui'.

Aan het begin van de middag begint het te waaien en wordt het ijzig koud. De mensen en de kinderen duiken de tenten in. In tent 87 woont de familie Podrima uit Priština. Wanneer Bujar (31) wordt gevraagd naar de samenstelling van zijn familie haalt hij een klein papiertje uit zijn zak. De tien namen staan keurig op een rijtje met daarachter de geboortedatum. ,,Voor het geval ze ons collectief zouden vermoorden. Dan weten de mensen die ons vinden toch nog wie we zijn.'' Zijn dochters Marigon (7) en Dafina (6) gaan samen met een paar vriendinnen tekenen. Af en toe schuift het tentdoek open en komt er weer een kind binnen. Zijn vader zit met een vriend in een hoek van de tent te roken, terwijl zijn moeder samen met zijn vrouw Eluane thee zet. Blerim, zijn twee jaar jongere broer, probeert een paar matrassen te bemachtigen. 'sMorgens arriveerde een vrachtauto van het Turkse Rode Kruis en zijn broer helpt met het uitladen. Bujars schoonzuster, Behije, ligt op de enige matras met haar drie jaar oude zoon Besnik. ,,We hebben bijna een week in de modder van Blace geleefd'', vertelt Bujar. ,,Sindsdien zijn de kinderen zwaar verkouden en moeten ze veel hoesten.'' Het zware tentdoek rust op een stelsel van dikke aluminium-buizen en in het midden heeft Bujar een schommel gemaakt, waar zijn zoon Hekuran (4) in zit.

De familie is nog compleet omdat Bujar en Blerim rijke mannen zijn geweest. Ze hadden drie winkels in Priština, waar ze gouden armbanden en kettingen verkochten. In de buurt van Priština hebben ze ,,een paar kilo goud'' begraven. ,,Dan hebben we straks weer een klein startkapitaaltje'', lacht Bujar.

Met 75.000 Duitse mark op zak zijn ze de hoofdstad van Kosovo ontvlucht; ze hebben nog 3.000 over. Op de vlucht zijn ze vaak aangehouden door de Servische politie. ,,Het leek wel een slavenmarkt'', vertelt Bujar. ,,Vader: 1000 mark. Moeder: 1000 mark. Vrouw: 2000 mark. Dochter: 1000 mark. Zoon: 2000 mark.''

's Nachts wordt zijn oudste dochter vaak schreeuwend wakker. ,,Toen we op transport waren naar het station, geleidde de Servische patrouille ons langs een parkje. Aan een boomtak waren twee mannen en een vrouw opgehangen. Ik probeerde haar ogen nog af te schermen, maar ik was te laat. Ik kende de vrouw niet; zij wel. Een buurvrouw van een vriendinnetje. Overdag heeft ze het er nooit over, maar ze droomt er bijna iedere nacht over.''

Bij Blace hoorde zijn dochter Marigon het verhaal van een vrouw van wie de man commandant was van een eenheid van het Kosovo Bevrijdingsleger (UÇK). Hun drie maanden oude baby'tje werd in de armen van de vrouw doodgeschoten. ,,Sindsdien praten we niet meer in het bijzijn van de kinderen over de gruweldaden. Het baby'tje laat haar niet meer los.''