De grazende mens

Bezoek onze website.' Bezoeken: een van die woorden waarin zich ongemerkt een nieuwe betekenis heeft gevestigd. Wie nog niet zolang geleden zei dat hij iets of iemand had bezocht, gaf daarmee over het algemeen aan dat hij zich had verplaatst en dat daaraan een zekere deftigheid, een niet alledaagse waardigheid was verbonden. Nog altijd: je bezoekt het museum, het kerkhof, de commissaris van de koningin, je brengt een beleefdheidsbezoek, je poetst je schoenen en trekt je das recht en je bezoekt. Nu heeft men een website bezocht. Men is aan zijn scherm en toetsenbord gaan zitten, heeft zijn muis (nog zo'n woord) gepakt, geklikt en gedubbelklikt (derde woord) en is aan het bezoek begonnen. Men heeft de site afgegraasd en bijvoorbeeld iets besteld. Dat is de bedoeling. Boekhandels, banken, postorderbedrijven hebben websites waarop we winkelen. (Razendsnelle ontwikkeling.)

Vorige week heb ik hier een stukje geschreven over de Bijenkorf waarvan het gebouw aan de Dam op de Rijksmonumentenlijst zal komen, als alles goed gaat. De Bijenkorf is de redding van dit deel van het oude centrum, is mijn theorie. Jarenlang heeft het Amsterdamse stadsbestuur weinig nagelaten om hier alles te bederven, maar de Bijenkorf hield stand. Daardoor heeft het warenhuis voor het winkelend publiek de functie gehad die de magnetische noordpool voor het kompas heeft. Zo is het trouwens nog. Ga maar eens op zaterdagmiddag of zondag hier in de buurt kijken. Dikke drommen mensen bewegen zich door de Kalverstraat, langs de Nieuwedijk en over Rokin en Damrak. Ze winkelen. Wat voor de koe het grazen is, is voor de mens het winkelen.

Er is een verschil. De koe bekijkt niet alles wat de wei biedt voor ze kiest en eet. De mens die winkelt, bekijkt zeer veel en kiest dan om te hebben. Voor de koe is grazen een winkelen dat bestaat uit het voortdurend doen van impulsaankopen. Voor de mens is winkelen het voorstadium van het hebben. Het bekijken van wat er in de etalages ligt zou je kunnen beschouwen als het pre-hebben. En hierdoor onderscheidt de winkelende mens zich van de koe: het kijken naar de begeerde dingen dat aan het hebben vooraf gaat, maakt later het geluksgevoel dat het eigenlijke hebben met zich meebrengt, intenser. Maar ook kan het winkelen op zichzelf zonder dat daarop een hebben volgt, een gevoel van verzadiging veroorzaken. `We hebben leuk gewinkeld.' Het is alsof de koe het gras alleen zou bekijken zonder het te eten waarna ze toch zou gaan herkauwen. En dan is er een overeenkomst: grazen en winkelen verlopen even traag. Probeer eens op zaterdagmiddag door de Kalverstraat te lopen als je haast hebt. Het warenhuis is het grootste, tegelijkertijd het meest compacte graasgebied van onze beschaving.

In het april/meinummer van het Amerikaanse tijdschrift Artbyte (dat zich beweegt op het kruispunt van de kunsten en computers, het nieuwe, virtuele Wilde Westen van onze cultuur) staat een artikel van Rem Koolhaas over het winkelen. Later zal het nog eens in uitvoeriger versie verschijnen in een boek, getiteld Kill the Mall, waarin de ondergang van het `winkelcentrum' wordt beschreven en verklaard. `Het winkelen is aantoonbaar de laatste publieke vorm van activiteit', aldus Koolhaas. Ik weet niet of hij helemaal gelijk heeft. Het te hoop lopen voor sportwedstrijden en evenementen hoort er volgens mij ook toe. Maar het is waar: voor een politicus, zijn partij, een goed plan, zelfs een oorlog krijg je op het ogenblik zelfs geen tweepersoonsmassa op de been. Winkelen daarentegen doen we in het Westen iedere zaterdag weer met miljoenen.

In Amerika gaat het met de grote winkelcentra buiten de steden snel bergafwaarts. Ze hebben gedaan wat ze konden, ogen van de etalagepoppen van camera's voorzien zodat duidelijk zou worden naar welke artikelen de klant met maximaal begeren keek, boodschappenwagentjes met zendertjes uitgerust, correlaties tussen weersgesteldheid en bezoekersdichtheid berekenend - het heeft niet geholpen. De mall is in verval, de winkelende mens trekt weer naar de grote stad. Als de geraamtes van prehistorische saurussen liggen inmiddels verlaten winkelcentra in het terrain vague om de metropool. Een en ander, maar niet alles, wijst er op dat de stadscentra aan een nieuw leven zijn begonnen. (Daarvan zie je ook hoopgevende tekenen in Amsterdam – hoewel precies voor mijn deur alweer de kermis is neergezet, dat atavistische wanproduct.)

Intussen wordt het winkelen opnieuw bedreigd: door de website. Volgens Artbyte hebben in 1996 vijf miljoen mensen iets van een website gekocht, het vorig jaar waren het er tien miljoen en dit jaar zullen het er zeventien miljoen zijn. In Amerika dus. Daar zal nu meer dan de bevolking van Nederland niet lichamelijk gaan winkelen. Stel je voor: de leegte in de steden als er zoveel mensen met hun muis het aanbod `bezoeken'. En daarbij gaat het dan nog alleen om de aankopen; niet om het winkelen dat de inleiding tot het kopen is. Stel je onze weilanden voor als de koeien alleen in de stal moesten grazen. Wie te veel de websites bezoekt, draagt straks bij tot een nieuw verval van het stadscentrum. Hoe daaraan het hoofd moet worden geboden weet nog niemand.

984