BRAKWATERGRONDEL KIEST ANDERE PARTNER BIJ ZUURSTOFGEBREK

Gedrag van vissen is soms verrassend veelzijdig. Je kunt volhouden dat deze koudbloedigen met minihersens volgens eenvoudige vuistregels te werk gaan, maar dat blijkt niet altijd op te gaan. Tot die conclusie komen ethologen van de Univeristy of East Anglia in Norwich, na een onderzoek aan de brakwatergrondel (Behavioral Ecology 10/2, blz. 149-154).

De Britten bestudeerden het zogeheten kopieergedrag van de brakwatergrondel (Pomatoschistus microps), een wat puilogige, kleine bodembewoner van onder meer de Noordzee die bij voorkeur in riviermondingen leeft. Kopieer- of na-aapgedrag is van meer vissen bekend. Zo houden kuitschietende vrouwtjes zich bij hun zoektocht naar een partner aan de keuze van hun seksegenoten. Op zoek naar een mannetje dat de eitjes zal bevruchten en ook de broedzorg op zich neemt, hebben deze vrouwtjes een voorkeur voor mannetjes die al over eieren beschikken. Om eieren in zijn nest te krijgen, moet een mannetje flink wervend tekeergaan. Maar heeft zo'n mannetje eenmaal een behoorlijke hoeveelheid verzameld, dan is dat voor vrouwelijke vissen die hun eitjes nog kwijt willen een positief teken. Als andere vrouwtjes al de keus op dit mannetje hebben laten vallen, moet dit wel een geslaagd individu zijn dat wellicht ook kwalitatief verantwoorde broedzorg levert.

Dit principe gaat ook op voor de brakwatergrondel. De vissen zetten hun eieren vaak af onder de schelpen van de strandgaper (Mya arenaria), en het mannetje verdedigt het legsel fanatiek. Tijdens de broedzorg houdt hij zich veel bezig met het ventileren van de eieren. Met wapperende vinnen brengt hij een waterstroom op gang, en wuift het nest zuurstof toe. Zuurstof is onontbeerlijk voor de ontwikkeling van visse-eieren. En zo lang er voldoende zuurstof in het water is opgelost geldt ook voor de watergrondel: hoe hoger het al aanwezige aantal eieren, des te meer kans het mannetje maakt er nog meer bij te krijgen. Maar het omgekeerde effect treedt op als de zuurstofconcentratie zakt, zo ontdekten de onderzoekers. Bij een laag zuurstofgehalte, dat behalve in proefaquaria ook in echt kustwater voor kan komen, maakten juist mannetjes met het laagste aantal verzamelde eitjes de beste kans. De vrouwtjes richten zich dan niet meer op het simpelweg kopiëren van de op mannelijke kwaliteit gerichte selectie door voorgaande vrouwtjes. Zij vermijden mannetjes die de zorg van nòg een legsel onder de zuurstofarme omstandigheden niet kunnen bolwerken.

De onderzoekers benadrukken de zelfstandigheid van die vrouwelijke keuze. Het enthousiasme waarmee mannetjes zich op de hofmakerij stortten speelde namelijk geen rol. De intensiteit van hun vertoon liep niet terug onder zuurstofarme omstandigheden. Ook was er geen verschil in die intensiteit van wervend gedrag tussen mannetjes met of zonder eieren. Wel gaat dreigend zuurstofgebrek samen met een verdrievoudiging van de tijd die mannetjes besteden aan het ventileren van de eieren. En daarmee met een zekere reductie van de tijd die ze aan de zijde van een selecterend vrouwtje kunnen doorbrengen. Niettemin concluderen de onderzoekers dat de eigen inschatting van de situatie door de vrouwtjes een hoofdrol speelt. Het gedrag van vissen blijkt dus weer eens erg flexibel; een omgevingsinvloed kan een degelijk gevestigd selectiemodel met gemakzuchtige kopieerdrift terzijde schuiven.

(Frans van der Helm)