Bezwijktijd

Tweeëneenhalf jaar nadat de AW-rubriek van start ging vond ook het Britse weekblad New Scientist dat het tijd werd voor een vrolijke noot. Het bedacht de rubriek The Last Word waarin AW-vragen door lezers worden gesteld en beantwoord. Van een directe relatie met het Rotterdamse initiatief was geen sprake: het is gewoon de tijdgeest, de tijdgeest roept om vrolijke noten. En om snelle bundeling van de stukjes waar het goedlachse publiek zo om lachen moest. Zakelijk optreden hoort ook bij de tijdgeest.

Om kort te gaan: New Scientist heeft de leukste vragen en leukste antwoorden van zijn rubriek alweer voor de tweede keer gebundeld en wie van het genre (Britse humor) houdt moet de bundel vooral kopen. Het heet `The Last Word' en is uitgegeven door Oxford University Press (1998). Hoeveel het kost weten ze bij de kassa.

Een frappant verschil met het hier regelmatig geciteerde serieuze en uitputtend gedocumenteerde `The flying circus of physics' van Jearl Walker (John Wiley, 1977) is dat de New Scientist-redactie het de lezers allemaal zelf laat uitvechten. Met haar Britse humor volgt zij het gekrakeel vanaf de zijlijn en ze laat graag in het midden wie er nu uiteindelijk gelijk heeft. Waarom laten vissen geen winden, wil iemand weten. Omdat de winden onzichtbaar meereizen met de uitwerpselen, antwoordt de een. Ze laten wel winden, zegt de ander.

Een ander opvallend kenmerk van de Last Word-problemen is dat ze nooit door rekenen, meten of experimenteren zijn op te lossen. Het gaat bijna altijd om zeldzame waarnemingen of toevallige weetjes – de handen laten wapperen komt er niet aan te pas. Walker heeft zijn enorme voorraad fysische raadsels en bijzonderheden achteraf, dus na 1977, grondig uitgewerkt in Scientific American. Per artikel moet hij vele dagen, of zelfs weken aan het experimenteren zijn geweest. Daar zou de redactie van New Scientist haar gevoel voor humor van verliezen.

Van AW-wege is gisteren tussen het warme eten en het late journaal nog wat gewerkt aan de oplossing van een probleem dat hier al eerder is opgevoerd: wat is het optimale gebruik van de aluminium nooddekens die de moderne kampeerwinkel zo graag en makkelijk aan de man brengt met het argument dat ze de lichaamswarmte weerkaatsen. Moeten die in extreem koude, eenzame nachten òp de slaapzak worden gelegd of is het beter ze er onder te steken? Wie het folie over zich heen drapeert is verzekerd van een warme, zij het lawaaierige nacht maar wordt wakker in een drijfnatte slaapzak: badend in eigen lichaamsvocht. De volgende avond is het in die zak met geen dertig nooddekens warm te krijgen. Aan de onderzijde van de slaapzak kan de alu space-age deken minder kwaad. De vraag is alleen of-ie er wel enig goed doet.

Het fenomeen warmtestraling is in de energiehuishouding van afkoelende en opwarmende objecten moeilijk te hanteren als die objecten niet vrij naar, en door, een dun medium kunnen uitstralen. Wie zo'n witte plastic fles waarin Albert Heijn gedestilleerd water verkoopt beplakt met aluminiumfolie zal zien dat deze fles (eenmaal gevuld met flink heet water) veel sneller afkoelt dan de fles waar een alu-wikkel om is aangebracht die een spouw van een halve centimeter tussen fles en wikkel overlaat. In het eerste uur afkoelen scheelt het vele graden.

Het staat vast dat het geen zin heeft gewoon de proef op de som te nemen: het bekende Bijlmermeer-ongeluk heeft aangetoond wat de kracht van suggestie is. Alleen een geschikt model kan het antwoord geven. Via voor de hand liggende associaties werd dat de chocoladereep, die is immers van huis uit van een soort slaapzak met alu-deken voorzien. Omdat er fysisch gezien geen wezenlijk verschil zit tussen opwarmen en afkoelen is besloten te onderzoeken wat het alu-folie binnen de papieren wikkel van de reep nog bijdroeg aan de bescherming tegen ongewenste opwarming. Als het veel scheelde zou het niet op voorhand onaannemelijk zijn dat de aluminium nooddeken inderdaad een nuttig atribuut voor de kampeerder is.

In een eerdere aankondiging van dit onderzoek is bericht dat de zaak zou worden uitgezocht met de zon als warmtebron. Daar is vanaf gezien: de zon schijnt nooit als het moet en bovendien heeft zij een spectrum dat te veel van dat van een mens verschilt. Na vruchteloze experimenten met een 100 watt lamp en een volslagen andere proefopzet dan die welke hier op het plaatje staat is ten slotte het 480 watt Inventum-broodrooster van AW/6 mrt als stralingsbron gebruikt. Een van de roosterkleppen is maximaal geopend en met hulp van wat ijzerdraad kon het rooster min of meer vrij zwevend in horizontale positie worden gebracht: een minizon die precies 25 centimeter boven de chocoladerepen hing. De testrepen kwamen op een sigarenkistje te liggen, een gewicht van twee ons aan de ene zijde, een van 50 gram aan de andere.

De gedachte was dat het langzaam doorbuigen van de reep een aardige graadmeter zou zijn voor zijn opwarming respectievelijk de tekort schietende isolatie – en dat was helemaal geen slechte gedachte. Het bezwijken van een langzaam verzachtende reep chocola gaat tamelijk abrupt en de klap van het vallende 50 gram-gewicht is een uitstekend meetmoment. Met behulp van een stopwatch werd vastgesteld dat de melkrepen na 5 à 6 minten bezweken, de puurrepen pas na 7 à 8 minuten.

Maar het aluminium, popelt de lezer. Het aluminium heeft een ronduit schitterde effect. Werd het tussen de papieren wikkel en de reep zelf weggehaald dan halveerde de bezwijktijd. Toch kan het hier nog even niet tot een heldere conclusie komen, er is het onbehaaglijke gevoel dat het minder met weerkaasting dan met met spouw-effecten te maken heeft. Het probleem was: opeens waren de repen op. Dus later meer.