Albanië beste springplank invasie

Een grondoorlog in Kosovo zal talrijke problemen opleveren. Bij voorbeeld: alleen Albanië kan als uitvalsbasis dienen, met zijn infrastructuur van ezelpaadjes.

Amerikaanse strategen houden van eufemismen. Iedere oorlog waarbij het Pentagon de tweede helft van deze eeuw betrokken was, heeft verhullende terminologie opgeleverd. De `tactiek van de verschroeide aarde' van de negentiende eeuw, werd tijdens `Vietnam' to pacify the countryside. De hevige strijd tussen contra's en Sandinisten in de jaren tachtig stond te boek als een low-intensity-conflict. En toen tijdens de Golfoorlog twee lasergeleide bommen abusievelijk, maar met dodelijke afloop door het dak van een civiele schuilkelder sloegen, heette dat collateral damage. Het duurde even, maar ook Allied Force lijkt intussen het vocabulair te hebben verrijkt. Indien ze de opdracht krijgen tot een invasie van Kosovo, zullen NAVO-grondtroepen moeten optreden in een non-permissive environment – alsof hierop slechts artikel 461 van het wetboek van strafrecht van toepassing is.

Een grondoorlog in Kosovo tegen 40.000 tot de tanden gewapende Serviërs leent zich niet voor eufemismen. Noch op strategisch of tactisch, noch op logistiek gebied. Al was het alleen maar dat – de schattingen lopen niet noemenswaardig uiteen – dat honderd- tot honderdvijftigduizend manschappen, inclusief tienduizenden wiel- en rupsvoertuigen, munitie- water- en andere voorraden, nodig zijn om Kosovo te veroveren. Het bezetten van de hoofdstad Belgrado is praktisch uitgesloten. De straatgevechten die dat zou opleveren met legereenheden en een woedende bevolking zouden een hoge tol eisen. Om die reden zagen de Israelische troepen er in 1982 van af om Beiroet te veroveren en ook de gevechten tussen het Russische leger en de Tsjetsjeense rebellen in de straten van Grozny een paar jaar geleden zijn in dit opzicht weinig bemoedigend. ,,Straatgevechten'', zei een Amerikaanse generaal van de mariniers na de kort geleden in Californië gehouden oefening Urban Warrior, ,,is wat mijn mannen het meeste haten.''

Wie met de klok mee de mogelijke uitvalsbases voor grondoperaties tegen het Servische leger in en rond Kosovo beziet, komt tot een sobere conclusie: alleen Albanië komt voor zo'n grote troepenmacht in aanmerking. Bosnië is te bergachtig en, voor de Servische helft, te NAVO-vijandig om er de lange aanvoerlijnen doorheen te laten lopen. Kroatië juicht de NAVO-bombardementen toe, maar wil niet bij een oorlog betrokken raken. En bovendien ligt Kroatië te ver weg.

Voor Hongarije gelden dezelfde overwegingen: het kersverse NAVO-lid neemt een afwachtende houding aan en ligt veel te ver weg. Ook is het land bezorgd om de Hongaarse minderheid in het noorden van Servië. En daarbij moet ook worden opgeteld dat tussen Hongarije en de rest van de NAVO uitsluitend neutrale landen liggen: ten westen van Hongarije ligt Oostenrijk, en tussen Polen en Hongarije bevindt zich Slowakije. Dat laatste land heeft de NAVO wel toestemming gegeven voor gebruik van het railnetwerk om militaire goederen vanuit Polen aan te voeren.

Roemenië en Bulgarije liggen al wat minder ongunstig ten opzichte van Kosovo, maar beide landen, hoewel ze graag tot de NAVO zouden toetreden, vrezen inmenging. Het openstellen van hun luchtruim voor NAVO-gevechtstoestellen, waarvoor eerst Roemenië en later Bulgarije toestemming gaven, had al de nodige voeten in de aarde. Macedonië heeft de NAVO laten weten NAVO-troepen voor humanitaire doeleinden op het grondgebied te tolereren, maar niet als springplank voor een invasie te willen fungeren. De breekbare etnische opbouw van de bevolking – Macedoniërs, Albanezen en Serviërs – en de afwezigheid van havens maken dat ook voor de NAVO-strategen geen aantrekkelijke optie.

Montenegro, de tweede republiek in Joegoslavië, komt ook niet in aanmerking. De regering van Montenegro staat op gespannen voet met Servië. Maar het land heeft sterke Joegoslavische legereenheden, de Montenegrijnen sympathiseren met de Serviërs en het land is zeer bergachtig.

Blijft over: Albanië. Het goede nieuws is dat dit land havens heeft en de hele infrastructuur al ter beschikking heeft gesteld van de NAVO. Het slechte nieuws is dat die infrastructuur vooral bestaat uit modderige ezelpaadjes en een spaarzame verharde weg en dat Kosovo slechts over een paar bergpassen valt te bereiken.

In beginsel beschikken de NAVO-landen over troepen die zijn gespecialiseerd in oorlogvoeren in de bergen. Zo beschikken de Amerikanen over de 10th Mountain Division, een eenheid die in Somalië de vuurdoop heeft gehad. Groot-Brittannië en Nederland hebben een kleine, gecombineerde marinierseenheid die hoofdzakelijk in het meteorologische uiterst non-permissive Noord-Noorwegen oefenen. Frankrijk, Duitsland en Italië hebben respectievelijk Chasseurs Alpins, Gebirgsjäger en Brigate Alpini, tienduizenden manschappen. Maar deze kunnen zich alleen nuttig maken als koevoet voor de deur waardoor andere NAVO-eenheden Kosovo moeten binnenstromen.

Er is nog een mogelijkheid: luchtlandingstroepen kunnen bijvoorbeeld het vliegveld van Pristina veroveren en dit gereed maken voor een luchtbrug van transportvliegtuigen. Ook voor dit soort gecompliceerde acties bezit de NAVO de nodige expertise. De Amerikanen alleen al hebben de 101ste en de 82ste luchtlandingsdivisies. In 1991 werden – in de grootste luchtlandingsoperatie sinds Geallieerde parachutisten in september 1944 bij Arnhem landden – delen van deze eenheden met een vloot gevechts- en transporthelikopters honderden kilometers achter de Iraakse linies `gedropt'.

Maar het overbrengen van een troepenmacht van 100.000 man door de lucht is, gegeven het aantal voorhanden transportvliegtuigen, een onmogelijke opgave. Met andere woorden: een troepenopbouw in Albanië blijft dan noodzakelijk. Want één ding is zeker: parachutisten kunnen het niet alleen af.