Zelfportretten

Zelfportretten noemen ze hun werk geen van beiden, Paul van Dongen en Teun Hocks, maar in zeker opzicht is het voor ieders oeuvre wel een bruikbare typering: in hun kunst is de kunstenaar zelf bijna altijd het hoofdonderwerp. Hocks en Van Dongen exposeren deze maand toevallig naast elkaar in twee afzonderlijke galeries op de Amsterdamse Lauriergracht. De verschillen tussen de twee zijn groot, maar onverwacht blijken er ook enkele opmerkelijke overeenkomsten te zijn.

Van Dongen (1958) schildert al jaren mannelijk naakt, waarvoor hijzelf model staat. Bij galerie De Praktijk exposeert hij nu nieuwe levensgrote alla prima schilderingen op papier, waarop het atletische model in het luchtledige is afgebeeld. Vergeleken met het eerdere werk zijn de huidige naakten veel minder klassiek, omdat ze onnatuurlijk aandoende poses aannemen. Ze lijken te vallen of te springen en zijn daardoor meer acrobaten geworden dan engelen. Tegelijk zijn de afgebeelde lichamen sterk natuurgetrouw en met groot vakmanschap weergegeven – Van Dongens anatomische kennis is formidabel – hetgeen de discrepantie tussen thema en uitwerking versterkt. Door de ongewone poses wordt benadrukt dat het academisme waarvan Van Dongen vaak is beschuldigd, schijn is. Hij bedient zich weliswaar van een in de traditie wortelend genre – het naakt – en gebruikt het op klassieke wijze, maar hij heeft vooral aandacht voor de vele kleuren en nuances van de geschilderde huid (iets dat hij gemeen heeft met Engelsman Lucian Freud).

In een mooi verzorgd boek over zijn werk dat galerie De Praktijk nu uitgeeft, is een tekst van Francis Bacon opgenomen die antwoord geeft op de vraag waarom je nog 'klassiek' zou schilderen nadat de oude meesters hierin zo'n hoge graad van perfectie bereikt hebben. Omdat, aldus Bacon, het vermogen tot aanvoelen van generatie op generatie verandert: ,,En wanneer dat vermogen verandert, komt er een hernieuwd gevoel van: hoe kan ik dit opnieuw maken, helderder, preciezer, krachtiger.'' Nieuw in het oeuvre van Van Dongen zijn de etsen, waarin hij met name zijn eigen beeltenis tot ónder de huid vastlegt. De portretten zien er ontveld uit, als gescalpeerd, naakter nog dan de geschilderde naakten. Ze herinneren aan de anatomische tekeningen van Renaissance-kunstenaars waarin spieren en aderen werden blootlegd. Maar Van Dongen is het niet te doen om wetenschap – al is hij zeker een kunstenaar die graag studies maakt. Het gaat hem om het blootleggen en blootgéven.

Net als Van Dongen is Teun Hocks (1948) een eenling in het Nederlandse kunstwereldje. Hocks maakt geënsceneerde foto's in zwart-wit, die hij daarna inkleurt met verf. Voor de eenzame protagonist die in al zijn fotowerken de hoofdrol speelt, poseert Hocks zelf. We zien deze sympathieke loser in de rol van ploeterende kantoorklerk wiens bureau een hondenhok is (Burohond, 1999) of als romantisch-wereldvreemde kunstenaar die met de ezel op zijn rug, zonder het te beseffen, een levensgevaarlijke, bizarre bergwandeling maakt. In Hocks' nieuwe werk valt op dat het schilderachtige steeds meer op de voorgrond treedt. De stukken lijken wel schilderijen in plaats van beschilderde foto's. De enscenerende fotograaf legt zelfs een voorzichtige voorkeur voor het ambachtelijke schilderen aan de dag: in zijn meest recente werk is de penseelstreek zichtbaar. Misschien is het niet toevallig dat hij gelijktijdig de stap zette om in twee werken het tragikomische mannetje weg te laten. Zo zien we middenin een vredig landschap een laken hangen dat, gezien de knopen erin, dienst doet als ladder. Is er iemand afgedaald of juist naar de hemel geklommen? Hoewel afwezig, vermoeden we een bizarre actie van de veelgeplaagde hoofdfiguur/pantoffelheld. Dit werk is kaler, minimaler en vooral schilderachtiger dan al het eerdere werk; het heeft een magisch-realistische inslag.

Van Dongen en Hocks blijken meer gemeen te hebben dan het feit dat zij zichzelf als voornaamste model gebruiken. Bij Van Dongen wordt dat model nu steeds grotesker, minder reeël, zoals het bij Hocks al was, terwijl Hocks zich nu bedient van een manier van schilderen die de studieuze, ambachtelijke streek van Van Dongen enigszins nadert. Wel blijven zij twee zeer verschillende kunstenaars die ieder een ander deel van het figuratieve veld bezetten. Wat ze daarnaast gemeen hebben, is dat hun werk nergens bij in te delen is en dat maakt ze verdacht. Hocks' oeuvre zou oppervlakkig zijn, niet meer dan een amusante cartoon, terwijl Van Dongen wordt verweten de kunstgeschiedenis te herhalen met het opdiepen van een academisch genre. Geen van beiden behoort tot een stroming of een groep: niet bij de realistische schilders, niet bij het traditioneel-ambachtelijke circuit, en ook niet bij de fotografie. Die kritiek bewijst maar weer eens dat de hokjesgeest en de mythe van de Vernieuwing hardnekkiger zijn dan men in de kunstwereld doorgaans wil toegeven.

Paul van Dongen; t/m 12 mei in De Praktijk, Lauriergracht 96 Amsterdam, wo t/m za 13-18u., zo 2 mei 14-17u.

Teun Hocks; t/m 1 mei in Torch, Lauriergracht 94 Amsterdam, do t/m za 14-18u.