Waar is kameraad Savitski mee bezig?

In de hele Sovjet-Unie werd `perverse' kunst verdelgd, maar in het plaatsje Noekoes verzamelde Igor Savitski alles wat Stalin verboden had.

Omdat het siësta is, en de wachters bij de entree niet gestoord willen worden, neemt de directrice de brandtrap naar een metalen dienstingang. Na drie keer kloppen doet een tenger Oezbeeks meisje de deur naar het museum van Noekoes open.

Na het witte woestijnlicht moeten je ogen minstens een minuut wennen aan de met gordijnen en vitrages geblindeerde zalen. De tl-balk die aanspringt knippert zo, dat de eerste indruk van `de grootste verzameling Russische avantgarde buiten Rusland' een stroboscopische is. Het museum blijkt geen museum maar een kunstpakhuis: alle wanden zijn behangen met kleuren en vormen, slordig ingelijst.

Er komt praktisch nooit een bezoeker. ,,Ik zeg niet dat ons volk achterlijk is'', zegt Marinika Babanazarova, de directrice. ,,Maar bijna niemand hier weet deze werken te waarderen.''

Aan de muren hangt kubisme, suprematisme, concentratiekampkunst, vrouwelijk naakt – alles wat Stalin verboden heeft. Perverse vormen, een acteur met een wereldbol voor zijn kruis, een blauwe stier; kunst dus die het volk niet begrijpt, in verwarring brengt, en die daarom vervolgd en verbannen moet worden. In de ganse, zich over elf tijdzones uitspannende Sovjet-Unie is dat gelukt, behalve hier in Noekoes, een vormeloos stadje op de plek waar de Karakum- in de Kyzilkumwoestijn overgaat. Het Staatsmuseum voor Kunst van Karakalpakstan, de aars van het Sovjet-wingewest Oezbekistan, telt 40.000 stukken uit de periode van de Russische avantgarde - de jaren twintig en dertig. Kandinsky, Chagall en Malevitsj zul je er niet tegenkomen, hun leerlingen wel.

Beschikt het Guggenheim-museum over enkele abstracte werken van Ivan Koedrjasov? Marinika heeft er driehonderd. En was het schilderij `Oud en Nieuw' van Solomon Nikritin (ook een `vijand van het volk' die in New York vertegenwoordigd is) lange tijd verloren gewaand? Het hangt aan een muur waar de pleister van afbrokkelt.

Een van de ontdekkers van deze schatkamer is Jean-Claude Richard, de Franse ambassadeur in Oezbekistan, die op doortocht in Noekoes een paar uur moest zien te doden. ,,Toen ik het lokale museum binnenstapte had ik het idee dat ik in de grot van Ali Baba was beland'', zei hij later. ,,Wat ik zag was uniek in de wereld.'' De Franse gezant liet experts van het Louvre overkomen en sindsdien gaat de Noekoes-mare rond onder kenners van de Russische avantgarde.

,,Vorig jaar landde hier een chartervliegtuig met 85 passagiers uit New York'', zegt Marinika, nog altijd verbouwereerd. ,,Ze kwamen speciaal voor ons.''

Ongelooflijker nog dan de ontdekking is de ontstaansgeschiedenis van deze kunstverzameling op een zoutvlakte met enkel fazanten en kamelen, even ten zuiden van de stervende Aralzee. Hoe heeft dit onopvallende gebouwtje met op het dak de leuze ,,Kunst behoort het Volk!'' zich decennialang aan het totalitaire oog van Moskou weten te onttrekken?

Marinika zegt dat het te maken heeft met de geografie, want Karakalpakstan ligt in de verdomhoek van de vroegere Sovjet-Unie. Niemand heeft er om te beginnen ooit van gehoord, iets wat Igor Savitski, een schriele man zonder billen of vet, moet hebben aangevoeld. Hij was een kunstenaar met een huis op de Arbat, het meest prestigieuze straatje van Moskou, waar ook Poesjkin woonde in zijn tijd.

Charmant

In het begin van de jaren vijftig, Stalin leefde nog, belandde Savitski met een archeologische expeditie in Noekoes. Hij besloot er te blijven. ,,Mijn vader hielp hem aan een baantje bij het geschiedkundig instituut, en vanaf dat moment kwam Igor vaak bij ons over de vloer'', vertelt Marinika. Een charmante man, die Savitski, die door de meest onbenullige dingen geboeid kon raken. Kleedjes bijvoorbeeld. Op een dag kwam hij thuis met een oeroud tapijt dat dienst deed als een stop in een irrigatiepijp. Het gesettelde nomadenvolk, hier aan de monding van de Amoe Darja, werd in die jaren gesovjetiseerd. De meesten hadden nog nooit een wc-pot gezien en begrepen dat oude spullen zo niet achterlijk dan toch waardeloos waren.

Savitski verzamelde alles. ,,Je struikelt hier over de antiquiteiten'', had Marinika hem eens horen zeggen. Hij klaagde dat veel bouwwerken van leem door irrigatiewater wegsleten, omdat de ingenieurs overal katoenvelden aanlegden, tot aan de gevels van de antieke karavanserai's toe. De waanzinnige bevloeiing van de woestijn, die zou resulteren in het opdrogen van de Aralzee, kon hij niet tegenhouden. Maar dat vergrootte juist zijn verzamelwoede. In de jaren zestig voerde Savitski net zo lang een lobby voor een museum voor Karakalpakstan tot hij er een kreeg, om tenminste het verleden te conserveren.

Dat wil zeggen: vanaf 1 februari 1966 telde de Socialistische Deelrepubliek Karakalpakstan, inwonertal amper een miljoen, een eigen `staatsmuseum' met één personeelslid: kameraad Igor Savitski. Hij deelde zijn salaris met twee assistenten die hem hielpen bij het verslepen van zijn in een garage opgeslagen potten en kleden. ,,Igor was sjouwer en schoonmaker, nachtwacht en schilder, loodgieter en restaurateur – alles tegelijk'', weet Marinika nog.

Het moet omstreeks die tijd geweest zijn, dat Savitski zich realiseerde dat het geïsoleerde Noekoes, uren gaans van de beschaving (de moskeeën en minaretten van Boechara en Chiva), als wijkplaats voor verboden kunst kon dienen. In ieder geval begon hij werk op te kopen van Russische kunstenaars die zich net als hij tot de Oriënt voelden aangetrokken. Het resultaat: volgepropte zalen met impressionistische, op Paul Gauguin geïnspireerde schilderijen, taferelen uit duizend-en-een-nacht met kamelen, medressa's (moskeescholen) versierd met mozaïeken van azuurblauw en turkoois tegelwerk. Maar ook de ingetogen miniatuurtjes van Jelena Loedvigovna, die de joodse gemeenschap van Boechara van voor de oorlog vastlegde. Textielververs met hoekige neuzen, werken waarvoor ze werd gekritiseerd, gepest en getreiterd (,,dit zijn geen thema's van deze tijd''), zo erg dat ze haar kunstenaarschap opgaf en naar Moskou terugkeerde. Savitski zocht haar eind jaren zestig op, kocht al haar schilderijen op en bracht ze terug naar de woestijn. Ze hangen nu naast die van haar man, Michael Koerzin, die twee maal in Stalins kampen belandde omdat hij zich aan `formalisme' had bezondigd. Toen hij vrij kwam, honger en gebrek lijdend, schilderde hij met de goedkoopste verf die hij kon vinden alleen nog maar overdadig beladen feestdissen. `Het leven is een feest', is de bittere titel van een mand vol granaatappelen, van rijpheid openbarstend.

Heropvoedingskamp

,,Jammer alleen dat hij zulke slechte verf gebruikte, want voor ons is het moeilijk deze doeken te conserveren'', merkt Marinika op. Bij een sereen portret van een Oezbeekse jongen vertelt ze dat de maker zich Oest Moemin noemde. ,,Een leerling van Malevitsj. Eigenlijk heette hij Nikolajev, maar hij heeft zich bekeerd tot de islam en zijn naam laten veranderen. Door Stalin naar een heropvoedingskamp gestuurd omdat hij homo was...'' En zo gaat het voort. De arme Jevgeni Lysenko, die zich op zijn zelfportret met gestifte lippen heeft afgebeeld, was gek geworden. In 1919 werkte hij aan de spoorlijn naar Tasjkent, die de Centraal-Aziatische steppe moest openleggen. Zijn beroemdste schilderij was `De Stier' uit 1920, maar stieren zijn niet blauw en dus was het een anti-Sovjet-werk. Lysenko stierf in een psychiatrische inrichting aan de Wolga.

Langzaam breidde directeur Savitski zijn actieradius uit, zeker toen bleek dat de lokale apparatsjiks te onontwikkeld waren om te begrijpen dat er zich in hun Karakalpakse museum verboden kunst ophoopte. Igor reisde naar de datsjadorpen buiten Moskou, waar hij familieleden van vervolgde kunstenaars opzocht. Vaak geloofden ze niet dat hij doeken wilde kopen die sinds 1932 tot de brandstapel waren veroordeeld. De magere man voor de deur kon een provocateur zijn. Maar als Savitski zijn papieren liet zien bleek hij inderdaad directeur te zijn van een Sovjet-museum, zij het dan in het onbeduidende Noekoes. En hij bleek een kenner. Iemand die wist wat er op zolders en onder bedden bewaard werd. Marinika vertelt dat hij een prijs overeenkwam, en vervolgens schuldbrieven uitschreef met een looptijd van tien tot vijftien jaar. ,,Ik ken Igor als iemand die altijd geld leende van iedereen om zijn schulden te kunnen afbetalen.''

Naarmate ze opgroeide kreeg ze meer van hem te horen. Eens liet hij de tekeningen zien van Nadjezda Boravaja, die in de jaren dertig veroordeeld was als vrouw van een in ongenade gevallen admiraal. In een Siberisch kamp had ze op pakpapier met houtskool schetsen van het Goelag-leven gemaakt. Igor had ze verzegeld naar Noekoes verstuurd, en ze waren niet eens onderschept. Hoe hij dat geflikt had was voor Marinika een raadsel, maar Igor vertelde dat het makkelijk was, dat hij de officiële zegels van het federale ministerie van Cultuur in Moskou had gekregen. Maar hoe kwam hij daar dan aan? ,,Ik heb ze gezegd dat het taferelen zijn uit een nazi-concentratiekamp.''

Zijn leven was een aaneenschakeling van listen. Van Aleksandr Volkov, de zoon van een tsaristisch militair chirurg en een zigeunerin, stelde hij alleen de politiek correcte doeken ten toon (opgewekte katoenpluksters) terwijl zijn kubistische werk in het depot bleef. Dat alles kon niet verhinderen dat er steeds vaker inspecteurs uit Tasjkent kwamen, en later ook uit Moskou, met steeds scherpere oekazes. In het begin kon Savitski ze nog om de tuin leiden met bordjes waarop stond: Schilder Onbekend. Wisten die inspecteurs veel dat het van de hand van een Russische balling in Amerika was, gevlucht voor de Stalin-terreur.

Maar steeds vaker kreeg hij berispingen, en dan moest hij de Venus van Nikritin achter slot en grendel opbergen.

Marinika Babanazarova was Engels gaan studeren, maar liet zich door Savitski overhalen om de kunstacademie in Tasjkent te volgen. Voor iemand die opgegroeid was temidden van Russische avantgarde, was dat een vreemde gewaarwording, want in Tasjkent kreeg ze te horen dat kunst volkskunst was en dat er maar één juiste richting was, namelijk het sociaal-realisme. Al het andere was kapitalistisch, bourgeois, pervers. Marinika: ,,Op de kunstacademie besefte ik dat we in een land leefden met twee gezichten. Ik moest een scriptie schrijven over revolutionaire kunst. Schilderijen van vrouwen op een tractor, dat soort zaken. Over suprematisme en constructivisme geen woord. Dat bestond zogezegd niet, maar ik kende het van thuis.''

Schuld

Na haar afstuderen in de jaren zeventig kwam Marinika bij Savitski te werken, die oud en ziek aan het worden was. Om van zijn eeuwige schulden af te komen schreef hij bevriende schrijvers in Moskou aan, hij schreef zelfs aan partijleider Brezjnev, en toen dat niet hielp stelde hij een brief op aan de Rothschild Foundation. De KGB kreeg er lucht van, en nog voor de inkt droog was werd het verzoek onderschept. De hand ophouden in Amerika, waar dacht kameraad Savitski dat hij mee bezig was?

In 1983 werd er een oekaze uitgevaardigd: het museum van Noekoes mocht geen kunst meer verzamelen. ,,Igor was er kapot van'', zegt Marinika, ,,en al had hij een longziekte, hij reisde nog een keer naar Moskou en kwam terug met drie containers vol keramiek, meubels, van alles.''

Marinika was voorbestemd het werk van Savitski voort te zetten. Hij vertelde haar dat hij uit een aristocratische familie kwam. Ze woonden in Kiev, waar zijn grootvader een beroemd professor in de slavistiek was. Igor was in 1915 geboren, en werd opgevoed door een Franse gouvernante, voor zolang het duurde. Want de revolutie en de burgeroorlog beroofden de familie van hun landgoed, hun kunst, en natuurlijk van de gouvernante.

,,Later begreep ik pas dat Igor zijn leven in dienst heeft gesteld van het bewaren van de cultuur'', zegt Marinika.

Twee maanden lang wisten de artsen niet of hij keelkanker had, of tbc. Hij kon nauwelijks meer praten, maar biechtte op dat hij bronzen voorwerpen van aanslag had willen ontdoen door ze te koken in formaline. Hij was zowat gestikt en het bleek dat zijn longen door de giftige dampen waren aangetast. Niks geen kanker of tbc, maar hij ging wel dood, in 1984. Igor Vasilevitsj Savitski had zijn aartsvijand Breznjev overleefd, maar hij stierf net te vroeg om de glasnost van Gorbatsjov te mogen meemaken. Marinika herinnert zich dat hij zei: ,,Dit museum dat wij hier inrichten is een te vroeg geboren kind. Maar heus, er komt een dag dat we nog eens bezoek uit Frankrijk krijgen.''

Het had niet eens erg lang meer geduurd. Na de Franse ambassadeur en de experts van het Louvre gonsde het van de geruchten. In 1989 durfde een Leningradse uitgeverij een catalogus te drukken, en in 1990 kwam Al Gore hier, toen nog als senator die een boek schreef over milieurampen zoals de verdroogde Aralzee, maar toch: zijn handtekening en `many thanks' staan in het gastenboek. In 1991 kwam er een uitnodiging van het Guggenheim voor deelname aan de tentoonstelling De Grote Utopie. ,,Maar we durfden het niet aan, want het transport liep over Moskou'', zegt Marinika. ,,Wij waren bang dat de Russische douane de werken zou confisqueren.''

Schat

Na decennia van vergetelheid staat Noekoes, Karakalpakstan, ineens in het brandpunt van de belangstelling. De kenners zijn vanzelfsprekend verdeeld over het belang van deze ontdekking. Charlotte Douglas, professor Russische kunst aan de universiteit van New York, noemt het `een schat', al kent ze de verzameling alleen uit de catalogus. ,,Er zijn schitterende kunstenaars waar we nog nooit van gehoord hebben, en prachtige werken van bekende namen waarvan we dachten dat we ze begrepen'', zei ze vorig jaar in The New York Times. ,,We weten niet half wat er allemaal nog is, out there.'' Haar collega John Bowlt van de universiteit van Zuid-Californië, die evenmin in Noekoes is wezen kijken, reageert sceptisch: ,,Als verhaal is het verbazingwekkend, maar visueel is het nogal vlak, vind ik.''

Dat neemt niet weg dat sommige erfgenamen, nog steeds in bezit van niet afbetaalde schuldbrieven van Savitski, de afgestane schilderijen weer opeisen. Ze blijken nu ineens tienduizenden dollars waard te zijn. ,,Het kost ons de grootste moeite de collectie bijeen te houden'', vertelt Marinika. ,,Laatste had ik hier Japanners die aanboden een modern museum te bouwen, in ruil voor de verzameling. Ik vroeg: ,,Waar komt dat dan te staan?' ,,In Japan natuurlijk'', zeiden ze verbaasd. ,,Daar is de collectie veilig.''

Het had Marinika gesterkt in haar overtuiging om als een moederkloek op haar schilderijen te blijven zitten. Sinds de val van de Sovjet-Unie was Oezbekistan tegen wil en dank een onafhankelijke Republiek geworden, en ook dat bracht nieuwe gevaren met zich mee. Misschien zou de hoofdstad Tasjkent, ter versterking van de nationale identiteit, de boedel van Noekoes opeisen. Maar president Islam Karimov toont geen interesse en heeft nog nooit een voet gezet in het Savitski-museum. Russische avantgarde is en blijft Russische kunst, kunst dus van de koloniale meester waar Oezbekistan nu juist vanaf wil. Het gevolg is wel dat Marinika maar net genoeg geld krijgt om de lonen te betalen. Het twee verdiepingen hoge gebouwtje is amper beveiligd, terwijl de waarde van de inventaris op vele miljoenen wordt geschat. Hoe is het dan in godsnaam mogelijk dat een tenger Oezbeeks meisje je na drie keer kloppen op de dienstingang binnenlaat? Is dat niet absurd?

,,Alsjeblieft'', zegt Marinika, ,,laten we geen slapende honden wakker maken. Ik denk dat de beste beveiliging die we hebben de onwetendheid van de bevolking is, en de geïsoleerde ligging van Noekoes. Net als in de tijd van Savitski is dat ons geluk.''

Toch zal dat isolement niet lang meer duren, want de eerste expositie van honderd futuristische werken heeft in 1995 in het Duitse Chemnitz plaatsgevonden. En vorig jaar zijn er driehonderd tekeningen in een Frans klooster in Caen tentoongesteld. Dat leverde gelukkig wat geld op, zodat er nu tenminste driehonderd tekeningen een lijst hebben. Tot ongenoegen van de autoriteiten in Tasjkent blijven er maar buitenlanders hun weg naar Noekoes vinden. In ieder geval heeft Igor Savitski ruimschoots gelijk gekregen met zijn voorspelling dat er ooit nog bezoekers uit Frankrijk naar zijn museum zouden komen. Jacques Chirac was een van hen.