Uit de loopgraven

Aan Nederland ging de Eerste Wereldoorlog grotendeels voorbij, maar elders in Europa vormde deze slachtpartij de grote cesuur in de twintigste eeuw. In augustus 1914 trokken de soldaten juichend naar het front. Maar spoedig volgde in de loopgraven de desillusie en bij de wapenstilstand in 1918 likte Europa haar wonden. De overwinnaars formuleerden in artikel 231 van het Verdrag van Versailles, dat Duitsland de volledige verantwoordelijkheid droeg voor het uitbreken van de Grote Oorlog.

Veel diplomaten lag deze clausule zwaar op de maag, maar aan de Duitse militaire agressie om de status van wereldmacht te bereiken werd nauwelijks getwijfeld. De mythe van de `Einkreisung' van het rijk, jarenlang door veel Duitsers gekoesterd, werd in 1961 door Fritz Fischer in zijn Griff nach der Weltmacht naar het rijk der fabelen verwezen. Hij toonde aan dat het Septemberprogramma van kanselier Von Bethmann-Hollweg uit 1914, opgesteld toen de Duitse elite nog in de roes van de overwinning verkeerde, slechts één uit een reeks was van plannen voor een gekoloniseerd `Mittel-Europa'.

J.H.J. Andriessen schetst in zijn De andere waarheid hoe de Europese grootmachten, na de smadelijke Franse nederlaag in 1870, het Duitse rijk als een ernstige bedreiging voor de status-quo zagen. Algemeen aanvaard is dat via een ondoorzichtig stelsel van allianties een poging tot het handhaven van de `balance of power' werd ondernomen. Dat leidde tenslotte tot een gewapend conflict, omdat Duitsland in de weken na de moord op de Oostenrijkse troonopvolger het diplomatieke pad verliet en Wenen een blanco cheque gaf voor een oorlog met Servië. Andriessen meent daarentegen, dat de politiek van de grote mogendheden bewust op de vernietiging van het Duitse rijk was gericht. De basis hiervoor zou zijn gelegd met de Frans-Russische geheime militaire conventie uit 1893.

De auteur beschrijft hoe het Duitse rijk na 1893 herhaaldelijk bakzeil haalde bij diplomatieke crises rond Marokko en de Balkan. Uiteindelijk bleef alleen nog de ten dode opgeschreven Dubbelmonarchie als bondgenoot over. Ook de militair opmars van Rusland versterkte de strategische angst dat Duitsland binnen de eigen grenzen werd omsingeld (de `binnenlijnen', aldus de auteur) en voedden de gedachte van een preventieve oorlog. Liever in de zomer van 1914 dan in 1916 als de tegenstander over meer militaire kracht zou beschikken.

De positie van de `binnenlijnen' is belangwekkend. Maar met de conclusie dat de overige mogendheden met een vooropgezet plan Duitsland als grootmacht wilden vernietigen gaat de auteur een stap te veel. Daarvoor waren de visies op Duitsland en angsten van de leden van de Entente te divers. Ook de thesen van revisionistische historici na de Eerste Wereldoorlog, zoals Fay en Steiner die de schuld niet eenzijdig bij Berlijn legden, worden niet uitvoerig genoeg aan de lezer gepresenteerd. Het feit dat Duitsland in de laatste weken voor de oorlog intense druk op Wenen uitoefende om Servië militair aan te pakken, weerlegt hij evenmin. Met het schenden van de Belgische neutraliteit nam Berlijn vervolgens bewust het risico dat het Engeland in de oorlog zou betrekken. De noviteit van Andriessens stelling blijft daardoor in de lucht hangen.

J.H.J. Andriessen: De andere waarheid. Een nieuwe visie op het ontstaan van de Eerste Wereldoorlog 1914-1918. De Bataafsche Leeuw, 288 blz. ƒ55,–