Tussen seks en suikerstroop

Als de dood niet recentelijk heeft toegeslagen, is Juan Filloy waarschijnlijk de oudste schrijver op aarde. Geboren in 1894, is hij Ernst Jünger altijd een jaar voor geweest en met het overlijden van de laatste is de wedloop definitief in het voordeel van de Argentijn beslist. Als hij het nog een paar maanden volhoudt, ziet hij zijn oude wensdroom in vervulling gaan: te hebben geleefd in drie eeuwen.

Een methodisch en arbeidzaam bestaan van die lengte moet wel een enorm oeuvre hebben voortgebracht, temeer omdat Filloy nooit met schrijven is opgehouden. Tientallen romans, essays, toneelstukken, honderden verhalen en waarschijnlijk duizenden gedichten (vooral sonnetten) waren het resultaat, en toch is zijn naam tot nu toe zo goed als onbekend gebleven. Filloy is het best bewaarde geheim van de Argentijnse literatuur, waarvoor hij niettemin veel betekend heeft. Hij kende alle groten daaruit: Borges, Arlt, Mallea (om alleen degenen te noemen die in het Nederlands zijn vertaald) en beïnvloedde hen, maar alleen Julio Cortázar heeft hem daarvoor, in zijn dwaalroman Rayuela, eer bewezen.

Misschien is zijn bescheiden teruggetrokkenheid daarvan de belangrijkste oorzaak geweest. Filloy heeft nooit de schijnwerpers gezocht, noch de glitter van Buenos Aires, de metropool die een derde van de inwoners van Argentinië verzamelt en daardoor vaak alleen zichzelf waarneemt. Zijn leven lang is Filloy in Río Cuarto blijven wonen, een provinciestad van zo'n honderdduizend inwoners in het westen van het land, waar hij rechter was. Zo'n tweehonderd kilometer noordelijker ligt Córdoba, met zijn ruim een miljoen inwoners de tweede stad van Argentinië, die op plaatselijke schaal herhaalt wat Buenos Aires voor het hele land doet.

Tussen Río Cuarto en Córdoba speelt zich Filloys nu vertaalde roman De bende... af. Het is het traject dat een groepje zwervers aflegt om er een grote hoeveelheid geld te storten in de stakingskas van ontevreden bouwvakkers. Dat geld is niet afkomstig uit de Russische schatkist, zoals aanvankelijk lijkt, maar van een beroving van een vrekkige oude vrouw die door twee van hen in Buenos Aires is uitgevoerd. Die twee zullen dat moeten bezuren, want ze halen het einde van het boek niet levend, en ook het kapitaaltje bereikt zijn bestemming niet heelhuids. Voor beroving en zwendelarij blijft de `bende' onderweg niet gespaard, ironisch genoeg deze keer door corrupte vertegenwoordigers van het wettelijk gezag, en daarnaast eisen ook kleinere goede doelen (de behandeling van een ziek kind, steun aan een socialistische vereniging) hun tol.

Aan het slot van het boek doet dat er allemaal nauwelijks meer toe. De ontmaskering van een nazi-complot ter verovering van Zuid-Amerika overschaduwt alles. Dat betekent niet alleen het glorieuze hoogtepunt van de `bende', maar ook het einde ervan. Ieder gaat zijns weegs, de een trouwt, de ander koopt een boerderijtje, maar allemaal leggen ze de bijnamen af waarmee ze de reis lang door het leven zijn gegaan: de `kledingstukken van avontuur en toeval', zoals Filloy ze noemt. Dergelijke briljante formuleringen liggen her en der door De bende... verspreid. Handen, `het grote struikelblok van de doorsnee-nudist', of `het diepere verband tussen suikerstroop en seks: even kleverig als waar': het zijn maar enkele voorbeelden van Filloys observatie- en woordkunst.

Misschien komt die nergens mooier in tot uitdrukking dan in de bijnamen die hij zijn zeven hoofdpersonen heeft meegegeven. Longines: de exacte Zwitser die St-Beuve en Lammenais citeert. Lon Chaney, de naar een vergeten filmster genoemde Fransman met honderd beroepen achter zich en een spreekwoordelijk `proteïsch vermogen'. Oude Liefde, de Italiaan met een seks-obsessie. Wijlen, de magere Spanjaard zonder denkvermogen maar vol eergevoel. Fortunato (de `fortuinlijke'): de malende Bohemer die overal verstand van heeft omdat hij `bankdirecteur in Praag is geweest'. Katanga, de Armeniër die eigenlijk Abd al-Kattaan ibn Hisjaam heet, de meest idealistische van het stel, die zijn familie in de Armeense slachtingen verloor. En Aparicio, de overheersende en grove professionele agitator, die als enige een fantasieloze bijnaam heeft, als Uruguayaan de enige Zuid-Amerikaan in het gezelschap.

Zo loopt er in het boek ook nog een `Kadetje' rond, een `Sintel', een `Getikte' en een `Don Galgenkontje'. De spot van die namen wordt wellicht alleen overtroffen door de parodistische dialogen die Filloy door het verhaal heenvlecht. Zo is er een prachtige scholastieke discussie over de voors en tegens van het nudisme en een mooie marxistisch-revolutionaire `theorie van de kniptang' van Katanga: `Knipje hier, knipje daar. Het is belachelijk vast te moeten stellen dat het recht van iedereen op land wordt ingetoomd door vijf draadjes ijzer.'

Dat laatste is door Filloy waarschijnlijk niet alleen maar humoristisch bedoeld. Er komt in De bende... een vage maar onmiskenbare kritiek op de uitwassen van het kapitalisme en het grootgrondbezit naar voren, die Filloy ook persoonlijk onderschreef. Zonder ooit een partijman te zijn geweest, heeft hij altijd een utopisch soort socialisme omarmd. Dat bracht hem op hoge leeftijd nog in aanvaring met de autoriteiten, toen hij zich in de jaren zeventig met een antidictatoriale roman tegen de militaire putschisten keerde. Van al zijn figuren in De Bende... lijkt de idealistische, maar tegelijk humane Katanga hem dan ook het liefst te zijn. Niet voor niets laat hij hem in aanvaring komen met de dogmatische en onbesuisde Aparicio.

Dat Filloy de sociale kritiek in zijn boek ernstig meende, blijkt wel uit het feit dat hij het boek heel precies en heel nabij situeerde: in de streek tussen Río Cuarto en Córdoba, in het `heden' van 1936 (er wordt terloops verwezen naar de kroning van Edward VIII). Het jaar daarop verscheen De Bende... voor het eerst. Elke schijn van pamflettisme (bijvoorbeeld in een lange tirade tegen de graankartels) wordt echter gesmoord in de jongensachtige bravoure van het boek, waarin ernst en ironie onmerkbaar in elkaar overgaan.

Ook de barokke stijl van Filloy draagt aan die vervreemding bij, al komt ze in het Nederlands vaak niet goed tot zijn recht. Dat is niet de schuld van de vertaler, die een knappe prestatie levert, maar van Filloys voorkeur voor grote woorden en abstracties waarvoor ook in het Nederlands vaak alleen maar een `romaanse' term bestaat. Onvermijdelijk klinkt dat veel gewichtiger dan in het origineel, waardoor het groteske verdwijnt en de balans naar het pompeuze doorslaat. Dat verschijnsel doet zich ook bij de vroegere Borges voor, en er is weinig aan te doen.

Na enige tijd went die grootsprakige stijl echter wel en stoort ze steeds minder. Minder ook dan in Filloys roman Op Oloop, die vijf jaar geleden al in het Nederlands werd vertaald en oorspronkelijk in 1934 verscheen. Daarin vertelt Filloy de Werdegang van de Finse consul Optimus Oloop, die in een tijdsbestek van vierentwintig uur langzaam gek wordt en tenslotte sterft. Dat die krachttoer niet helemaal slaagde, kwam vooral doordat Oloops gekte, en soms ook de reacties van zijn omgeving, zo bruusk en bevreemdend werden beschreven dat je er alleen maar niet-begrijpend en onaangedaan naar kon kijken.

Die onverschilligheid dringt zich bij De bende... geen enkel moment op. Daar is het boek te veelkleurig, te geestig en ook psychologisch te overtuigend voor. Filloy heeft zijn zeven hoofdpersonen niet alleen elk een geheel eigen, uitgediept karakter weten te geven, maar ook hun onderlinge relaties op prachtige, soms zelfs aangrijpende wijze weten te beschrijven. Misschien heeft hij daarin wel zijn grootste meesterschap getoond. Geen moment verliest hij tussen zoveel figuren, voortdurend veranderende situaties (het hele boek is één lange verplaatsing met alle vervoermiddelen die denkbaar zijn) en een zo grote verscheidenheid aan stijlen en genres de controle over het verhaal. Terecht noemde de schrijver Mempo Giardinelli hem in zijn nawoord bij Op Oloop `een van de meest opmerkelijke literaire mysteries in het Spaanse taalgebied'. Zo iemand gun je wel drie eeuwen.

Juan Filloy: De bende... Uit het Spaans vertaald door Arie van der Wal. Coppens & Frenks, 454 blz. ƒ85,- (geb.)