Richard Dawkins: The Selfish Gene, 1976

Darwins evolutietheorie ontmaskerde de wereld om ons heen als een plek waar elk individu voortdurend is verwikkeld in een strijd om het bestaan. Overleven ten koste van de ander is alleen voor de sterksten weggelegd. Het is, zoals Alfred Lord Tennyson het in zijn In Memoriam uitdrukt, `nature, red in tooth and claw'. Desondanks zijn er overal voorbeelden te vinden van zelfopoffering, van altruïstisch gedrag. Werkbijen steken een potentiële honingrover, hoewel ze als gevolg daarvan zelf het leven laten. Een vogel lokt een aanvaller bij haar kinderen weg door net te doen alsof ze een gebroken vleugel heeft en dus een veel gemakkelijker prooi wordt. Een aap die een naderend roofdier heeft opgemerkt waarschuwt zijn soortgenoten, hoewel hij daardoor juist de aandacht op zichzelf richt. De lijst is eindeloos. Maar hoe onstaat in een genadeloze omgeving dergelijk gedrag? En past het eigenlijk wel in het evolutionaire beeld? Een veel gehoorde verklaring is dat individuen zich opofferen voor het belang van de soort. Wanneer soortgenoten bereid zijn zichzelf weg te cijferen voor het groepsbelang, dan zal die groep een grotere kans hebben om te overleven dan een andere, die uit meer egoïstisch ingestelde individuen bestaat.

Die verklaring kan niet kloppen. Altruïstisch gedrag maakt een groep juist erg kwetsbaar. Er is namelijk altijd wel één andersdenkende, die zichzelf weigert op te offeren maar wel bescherming geniet. Zijn nakomelingen zullen ook egoïstisch gedrag vertonen, en na een aantal generaties is de idyllische samenleving voorbij en bestaat de hele groep uit profiteurs. Opoffering in het belang van de soort is dus een misvatting. Ze inspireerde Richard Dawkins in 1976 niettemin tot zijn boek The Selfish Gene.

Niet dat Dawkins zelf het antwoord had gevonden. Dat was in de jaren zestig al gegeven door evolutiebiologen als William Hamilton, George Williams en John Maynard Smith. Maar zij waren daar volgens Dawkins in zijn inleiding tot de tweede editie van 1989 `wat te laconiek' over. `Ik was ervan overtuigd dat een versterkte en wat verder doorgevoerde versie van hun ideeën alles over het leven op aarde op zijn plaats kon laten vallen.' Dawkins had dat goed gezien. Hamiltons artikelen zijn wel eens vergeleken met een Turks bad: van de aangename warmte van de inleiding, ga je acuut over op pagina's ijskoude wiskunde.

Om de ideeën over het ontstaan van sociaal gedrag een bredere bekendheid te geven, herschrijft Dawkins de evolutietheorie vanuit het gezichtspunt van het gen. Het zijn de genen die ons gebruiken als `survival machines', als middel om te overleven. Van die genen wordt in een van de meest geciteerde passages gezegd dat `ze rondzwemmen in grote kolonies, veilig opgeborgen in enorme, zich traag voortbewegende robots, afgesloten van de buitenwereld, die ze op afstand manipuleren'. Sommige genen doen dat al miljoenen jaren met veel succes, ondanks een zeer vijandige omgeving. De enige eigenschap die volgens Dawkins daarbij nodig is, is egoïsme. Normaal gesproken leidt dat tot egoïstisch gedrag. Maar er zijn omstandigheden waarin een gen zijn doel beter kan bereiken via een vorm van samenwerking, of zelfs door het omhulsel dat hem beschermt op te offeren. Iedere broer of zus beschikt immers tenminste over de helft van jouw genen. Twee neven hebben een kwart van hun genen gemeenschappelijk, en op dezelfde wijze kan de genetische verwantschap met elk willekeurig familielid worden berekend. Toen de Engelse bioloog J.B.S. Haldane ooit gevraagd werd of hij bereid was zijn leven te geven om dat van zijn broer te redden zei hij: `Voor twee broers zou ik het zeker doen, óf voor vier neven.' En dat is precies waar het om gaat. Echte zelfopoffering bestaat niet. Dat staat de evolutie gewoon niet toe. Het is een mooie paradox dat altruïsme ontstaat vanuit puur zelfzuchtig gedrag.

Hoewel Dawkins zelf altijd heeft volgehouden The Selfish Gene voor zijn directe collega's te hebben geschreven, werd het boek toch een bestseller. De lucht mag dan vol zijn geweest van deze ideeën, hij was wel degene die ze algemeen bekend maakte. Tegenwoordig is het darwinisme uitgegroeid tot een soort universele verklaring voor alle vragen en problemen. Waarom stiefkinderen een honderd keer grotere kans hebben om door hun ouders te worden vermoord dan eigen kinderen. Of waarom iemand op de drempel van de dood vaak een plotseling gevoel van vrede over zich krijgt. Of waarom sommige zwangere vrouwen last krijgen van suikerziekte of abnormaal hoge bloeddruk. Je hebt darwinistische geneeskunde en darwinistische psychologie. Er is zelfs een theorie die het ontstaan van bewustzijn terugvoert op darwinistische principes. Toch was en is er ook nog altijd kritiek. Wanneer je aan genen bepaalde onaangename kenmerken toeschrijft, dan straalt dat onherroepelijk ook af op de dragers van die genen. En het is nogal wat wanneer hooggestemde idealen van samenwerking en opoffering te kijk worden gezet als het resultaat van niets ontziende wederzijdse exploitatie. Er kwam dan ook een tegenbeweging op gang die niets wil horen van de kille, mechanische, bijna digitale wereld die evolutionaire `fundamentalisten' als Dawkins en zijn navolgers schetsten. Dawkins heeft echter nooit een krimp gegeven. Hij werkte zijn ideeën verder uit in The Extended Phenotype – een boek dat hem zelf nog liever schijnt te zijn – en in drie wat meer populaire versies.

Maar The Selfish Gene was en bleef van uitzonderlijke klasse. Opvallend genoeg wordt er tegenwoordig vooral over het laatste, meest speculatieve hoofdstuk geschreven. Daarin ontvouwt Dawkins, geheel in lijn met zijn darwinistische opvattingen, een theorie over de culturele evolutie. Taal bijvoorbeeld hoeft niet elke keer opnieuw te worden uitgevonden, maar wordt doorgegeven van de ene op de andere generatie. Kinderen leren door hun ouders na te doen. Datzelfde geldt voor tradities, voor kunst en architectuur. Sommige tradities blijven echter bestaan, terwijl andere uitsterven omdat ze door onvoldoende mensen worden gedragen. Volgens Dawkins zit daar de crux: hij beschouwt de replicator als hét basisprincipe voor al het leven in het universum. Om te overleven moet iets in staat zijn zichzelf op wat voor manier dan ook te vermenigvuldigen, en bij voorkeur in grotere aantallen dan andere replicatoren. Als drager (replicator) van de culturele evolutie stelt hij het begrip meme voor. Liedjes zijn memen, net zoals kledingstijlen, recepten voor brood en grappen dat zijn. Memen planten zichzelf voort door imitatie, ze springen als het ware van brein naar brein. Sommige deuntjes zijn niet uit te bannen: ze zitten de hele dag in je hoofd. Wie een goede mop hoort, vertelt hem door. Een slechte is geen lang leven beschoren. Het meme-begrip zelf blijkt ook een uitstekende replicator te zijn. Het vond zijn weg tot in het Oxford English Dictionary. Er is zelfs een wetenschap der memetica, met een eigen tijdschrift. Verschillende boeken hebben voortgebouwd op de ideeën van Dawkins. Heel recent verscheen het zeer ambitieuze The Meme Machine van de Engelse psychologe Susan Blackmore. Zij beweert zelfs dat ons `ik' een illusie is, een schepping van de memen ten behoeve van hun eigen vermenigvuldiging.

Zo lijkt het misschien alsof we erg ver zijn afgedwaald van het zelfzuchtige gen waar het allemaal mee begon. Maar het geeft aan hoe invloedrijk Dawkins ideeën zijn. Dat is mede het gevolg van de wonderschone manier waarmee hij ze aan de man brengt. Dawkins schrijft prachtig, zijn uitleg is altijd helder, zijn enthousiasme is aanstekelijk en zijn voorbeelden zijn treffend. The Times schreef ooit over `het soort populair wetenschappelijke literatuur dat ervoor zorgt dat de lezer zich een genie voelt.' Niet voor niets werd hij in 1996 aan zijn `eigen' universiteit van Oxford bekleed met een leerstoel voor Public Understanding of Science. Sindsdien heeft hij zijn werkterrein wat verbreed en probeert hij zijn lezers te overtuigen van de schoonheid van wetenschap en van het gevaar van pseudo-wetenschap. Maar zijn grote roem zal altijd gebaseerd blijven op dat ene boek waarin hij de wereld een illusie ontnam, maar op zo'n manier dat (bijna) iedereen er wel vrede mee moet hebben.

Richard Dawkins: The Selfish Gene. Oxford University Press (1976), 352 blz. ƒ33,55