Politici op eigen gezag

Het is jammer dat de teach-ins uit de mode zijn. Voor wie niet meer weet wat een teach-in is: een massabijeenkomst over een groot vraagstuk waar iedereen kon zeggen wat hij op zijn hart had, of hij er verstand van had of niet. Het vraagstuk werd er misschien niet nader tot de oplossing gebracht, maar na de teach-in kon het in ieder geval niemand zijn ontgaan dat het een vraagstuk was. De grootste teach-in die ik heb meegemaakt, werd gehouden in de Koopmansbeurs in Amsterdam – nu de Beurs van Berlage genoemd. Het ging over de oorlog in Vietnam. Paul van 't Veer was erbij, mr. G.B.J. Hiltermann, Renate Rubinstein en de Amerikaanse ambassadeur. Het viel niet te ontkennen dat een teach-in een gebeurtenis was waaraan met ernst en hartstocht werd meegedaan. Iets anders dan een evenement.

Chris Keulemans en Henk van Renssen hebben voorgesteld dat de Nederlandse schrijvers, kunstenaars, historici, intellectuelen een groot debat zullen houden over Kosovo. Een soort teach-in dus. Nelleke Noordervliet, in haar Volkskrant-column, zag er onder de kop De muis die brult niets in. Om haar redenering samen te vatten: misschien hebben wij Nederlanders ook wel recht van spreken, maar we moeten niet proberen de Fransen, de Engelsen en de Duitsers na te doen. Hoe moeten we het dan wel doen, vroeg ik me af.

Ik kreeg een boodschap van iemand die schrijver en academicus is, misschien wel een intellectueel dus. `Die oorlog is vreselijk. Hij ontregelt je gedachten geheel. Althans de mijne.' Beter kan ik het niet uitdrukken. De oorlog is een zweer in ons dagelijks leven, niet alleen in Nederland. Ook voor de Belgen, de Polen, de Duitsers, de Luxemburgers en dus voor de Amerikanen die, als het hierom gaat, tot Europa horen. Hoe komt dat? Omdat deze oorlog, meer nog dan de vorige in voormalig Joegoslavië, ons weer in contact brengt met systematische leugens, stompzinnigheid, etnische pogroms, massamoorden en massavernietiging. Deze oorlog, naast de deur, ontregelt de verwachtingen die men zich in de lange tijd van vrede en welvaart heeft leren stellen: aan de staat en zijn verzorging, aan de beurs, de televisie, de sport, het `poldermodel', alles wat we tot de postmoderne westelijke beschaving rekenen.

Aan wie de schuld? Waaruit bestaat de schuld? Wat moet ertegen worden gedaan? De eerste twee vragen zijn al niet eenvoudig te beantwoorden. Zeker: Miloševic! Maar hebben `wij' door nonchalance, goedgelovigheid, gemakzucht er niet aan bijgedragen dat hij op de troon van zijn blijkbaar onaantastbare dictatuur zit? Is er een overweldigend aantal schrijvers, kunstenaars, historici geweest dat twee jaar geleden zijn steun heeft gegeven aan de hardnekkige maar machteloze optochten van de oppositie in de straten van Belgrado? Niets van gehoord. Geen `columnistenoorlog', geen betuigingen van solidariteit, hoe gratuit misschien ook. Waren de intellectuelen al wakker toen een jaar geleden deze oorlog dreigde? Als ze niet sliepen, wat deden ze toen? De schuldvraag geldt ook de `opinievormers' die veel interessanter dingen aan hun hoofd hadden.

`Intellectueel' - je durft het woord niet meer te gebruiken, zo versleten is het. Nog voor het einde van de Koude Oorlog is het in zijn eigen arrogantie gesmoord. `Intellectueel' is verbonden met ideologie, de Sovjet-Unie, Julien Benda, het vredescomité van Stockholm, manifesten. Maar bij gebrek aan beter nog één keer: intellectuelen zijn mensen die zich ongevraagd, met zekere regelmaat, zo redelijk mogelijk in de media met de publieke zaak bemoeien. Ze zijn politici op eigen gezag. Uit welke motieven, op grond van welke argumenten en met welk resultaat laat ik nu in het midden. Het gaat om het regelmatig bemoeien. En over de afgelopen tien jaar bezien hebben ze naar deze maatstaven gemeten geen grootse staat van dienst. Als groep zijn ze net als de politici de vrije markt op gegaan. Wie zal het de dames en heren kwalijk nemen. Nu zijn ze, zoals onze politieke leiders, door de oorlog naast de deur verrast. Van praktisch de ene dag op de andere zijn ze teruggebracht tot de rauwste werkelijkheid, voorzover ze die als toeschouwer voor de televisie kunnen ervaren.

De derde vraag, te laat gesteld: wat nu? Franco, de Griekse kolonels, Botha en Verwoerd waren ook verwerpelijke mensen. Dat kon je laten weten door niet met vakantie naar Spanje of Griekenland te gaan en geen Outspan sinaasappels te eten. Dit is anders. De grondtroepen naderen. Onze politieke leiders en hun strategen proberen het gapende gat van de eerste mislukking met een groter waagstuk te dempen. Vorig jaar om deze tijd hield het Westen zich met Lewinsky, Tripp, Starr en Bill bezig. In zijn bespreking van het boek Monica's Story vraagt Michael Oreskes: `Waren er toen geen volwassenen om toezicht te houden?' Nee, toen was het trouwens al te laat. Nu kijken we naar de persconferenties, de boze verzekeringen van Tony Blair, de vastberaden lip & kin van Bill, de gaat-u-maar-rustig-slapen-glimlach van onze Van Aartsen & De Grave, de branden in Belgrado en de cohorten vluchtelingen. Zijn er geen volwassenen die toezicht kunnen houden? Misschien beleven we een beschavingsfase waarin de volwassenen uit de mode zijn.