Poëzie en misdaad

Een meisje valt uit een eeuwenoude, knoestige boom. Rakel heet ze. Door de valpartij bezeert ze haar voet, ze raakt verminkt. De man die haar vindt is weduwnaar. De manke jonge vrouw trekt bij hem in, wordt zijn minnares en vrouw. Ze varen rond op een boot die de Drie Gebroeders heet. Dat is eigenlijk alles, een verhaallijn dun als zijde. En erg mooi.

De Zweedse schrijfster Christine Falkenland schreef met Mijn schaduw (Min skugga) haar derde roman. Elk realisme of naturalisme, waar het in de Scandinavische literatuur van wemelt, is haar vreemd. Dialogen hebben nog het meeste weg van korte, wonderlijke gedichten, ready-mades, zoals ze in de jaren zeventig rond het Nederlandse tijdschrift Gard Sivik heetten.

Het mooiste aan Mijn schaduw is de dichterlijkheid ervan. Falkenlands genre is dat van de poëtische roman, een gevaarlijke vertelsoort. Ofwel het is proza met een geheimzinnige waas van poëzie, ofwel het is proza dat zich ervoor schaamt eenvoudigweg naar de naam proza te luisteren.

In Mijn schaduw beheerst Christine Falkenland haar stijl bewonderenswaardig. Het is een boek van argeloosheid en onschuld, van dromen en dat pas heel laat inzien dat achter elke droom een wrede werkelijkheid schuilgaat. Rakel vertelt haar levensverhaal in de vorm van een intieme monoloog. Ze kijkt terug op wat er allemaal fout is gegaan in haar leven, vraagt zich af hoe het zover kwam dat ze geen geluk vond en dat ze altijd leefde in de schaduw van zichzelf. Het woord schaduw staat ook voor de schim die de mens uiteindelijk op aarde is, want zo zwaartillend wil Falkenland het wel. Rakel is bang vergeten te worden, zodanig dat niemand zich haar herinnert. Dat is het echte vergeten. Dan wordt ze weer de schaduw die ze haar hele bestaan door geweest is. In deze zin is Mijn schaduw ook een gevecht tegen de vergetelheid en tegen de angst dat we eens zullen verdwijnen, net een fade-out en daarna helemaal niets meer.

Falkenland begint haar boek met een metafoor: `Op mijn vijftiende viel ik bij de kruising van landwegen uit de boom die het symbool van ons welzijn was. Mijn lichaam draagt de herinneringen van de onbesuisdheden van mijn jeugd. Ik heb weer gedroomd.'

De tuimeling uit de boom staat voor de val uit de hemelse gaafheid van de jeugd. De lezer zal niet weten welke wegen die landwegen zijn, waar ze heengaan of vandaan komen; elke geografie is verbannen. Rakels val markeert de omwenteling in haar leven: een man krijgt aandacht voor haar.

Plaats van handeling is het venster van een havenstad langs de scheren van Zweden. Rakel kijkt, met verrekijker, uit over de boten, zoekt het haar vertrouwde schip. Flardsgewijs leren we haar leven kennen, waarin niets schokkends voorviel maar dat een lange worsteling is met `het spookbeeld geluk'. Er staan keer op keer voltreffers in het boek, waardoor de onderliggende bitterheid geleidelijk aan zichtbaar wordt. Zo schrijft Falkenland ineens: `Mijn bruidsjurk was zwart.' We denken aan Tsjechovs Masja uit De meeuw die altijd in het zwart gekleed gaat omdat ze `in de rouw is om haar leven'. Dat zwart blijkt op het naamloze eiland waar ze woont gebruikelijk te zijn, waardoor de tragische mededeling weer iets wordt getemperd. Dan de volgende zin, over de dochter van haar bruidegom, Cornelia; `Ik heb nooit gevraagd of het Cornelia's eigen wens was om er niet bij te zijn.'

Dit is een stijlvolle, verrassende manier van schrijven, balancerend op de grens van suggestie en schokeffect. Wanneer de zieke Cornelia doodgaat op het schip, is Rakel daarbij. In een als teder omschreven gebaar legt ze een kussen op haar gezicht, en zo bespoedigt ze Cornelia's dood. Haar dromen gaan verder, ze denkt aan het verhaal van vogels – ze weet niet welke – die hun nest op open zee bouwen. Dat is voor de vervulling van levensgeluk: een nest op open zee. Temidden van haar dromen keert het beeld van de zieke Cornelia terug, overmand door koorts. Falkenland schrijft over Rakel: `Ik was slechts het mes in de hand.' Deze ragfijne, ijle Rakel heeft Cornelia vermoord. Van het domein van de poëtische roman tuimelen we onverhoeds in dat van de thriller.

Op dezelfde intrigerende manier verweeft Falkenland andere verhaallijnen door het boek, zoals dat van haar zoon Paul. Als de jongen volwassen is geworden, breekt hij met haar door de deur van zijn huis te vergrendelen. Naar de reden moeten we gissen. Falkenland suggereert dat Paul weet heeft van Rakels moord op Cornelia, het kan ook met zijn hang naar zelfstandigheid te maken hebben. Falkenland schrijft: `Soms, als ik zie hoe je met een groepje jonge mannen staat te praten en te lachen, besef ik dat het toneelspel is. Je speelt een rol. Je probeert als de anderen te zijn, als een van hen, hoewel je diep van binnen weekhartig en vrouwelijk bent.'

De gedachte aan Tsjechovs Masja, aan toneelspel, is niet vreemd. Het boek heeft er alle stijl van als een toneelstuk geschreven te zijn, want in die terughoudendheid, het suggereren boven verklaren herkennen we een verstilde vorm van toneelschrijven. Christine Falkenland bezit het vermogen in Mijn schaduw van poëtische beelden een pure misdaadroman te creëren.

Christine Falkenland: Mijn schaduw. Uit het Zweeds vertaald door Elina van der Heijden. Ambo, 124 blz. ƒ29,90