Ministers zouden de eer aan zichzelf moeten houden

De meest gestelde vraag bij elke parlementaire enquête is of er politieke koppen gaan rollen. Zo ook nu. Wanneer de Kamer de conclusies van de enquêtecommissie deelt, kan dit niet zonder politieke gevolgen blijven, vindt Alis Koekkoek.

De conclusies van de Commissie-Meijer, die de nasleep van de Bijlmerramp heeft onderzocht, zijn niet mis. Opeenvolgende ministers hebben de Tweede Kamer `onduidelijk, onvolledig, ontijdig of onjuist' geïnformeerd. Dit is te vaak gebeurd. De vraag is welke kwalificaties op welke ministers slaan. Daarbij gaat het vooral om zittende ministers, omdat alleen zij op dit moment aan het parlement verantwoording kunnen afleggen en alleen ten aanzien van hen de vertrouwensvraag aan de orde kan zijn.

Het gaat dus om de ministers Jorritsma en Borst en om minister-president Kok. Minister Jorritsma heeft als minister van Verkeer en Waterstaat de Kamer onjuist geïnformeerd over het afvoeren van afval naar Sliedrecht en de Kamer herhaaldelijk onvolledig en onjuist geïnformeerd over het verarmd uranium. Zij heeft de Kamer niet ingelicht over de door de Rijksverkeersinspectie geconstateerde verschillen tussen de informatie op de verschillende vervoersdocumenten. Zij noemt die verschillen `van administratieve aard'. De enquêtecommissie vindt dit onjuist.

Minister Borst heeft de bezigheid van de Commissie-Hoekstra – die onderzoek deed naar de uitvoering van de onderzoeken naar de lading – gebruikt als excuus voor de late start van het inventariserend onderzoek naar de gezondheidsklachten. De werkelijke reden was dat het AMC meer tijd nodig had voor de opzet van het onderzoek. De Commissie noemt dit `onzorgvuldig'. De minister informeert de Kamer niet over de beslissing van Hoofdinspectie en AMC om geen lichamelijk onderzoek te doen. De Hoofdinspectie heeft signalen over auto-immuunziekten onvoldoende opgepakt en de minister daarover te laat ingelicht. Omdat deze ziekten onherstelbare schade aan organen aanrichten, vindt de Commissie het handelen van de Inspectie `medisch en maatschappelijk onverantwoord'. Deze harde conclusie slaat terug op de minister omdat de Inspectie de minister tijdig moet inlichten en de minister de Hoofdinspecteur aanwijzingen kan geven.

Minister-president Kok heeft zijn positie als voorzitter van de ministerraad – hij kan zelf zaken op de agenda zetten – niet ingevuld toen de onrust over de gevolgen van de Bijlmerramp maar bleef voortduren. De Commissie vindt dat niet in overeenstemming met zijn functie.

Na deze litanie van fouten rijst vanzelf de meest gestelde vraag bij elke parlementaire enquête: gaan er politieke koppen rollen? Deze vraag is echter niet de eerste en ook niet de belangrijkste. De belangrijkste vraag is of een enquêtecommissie in haar opdracht is geslaagd. De opdracht van deze enquêtecommissie was drieledig, namelijk een onderzoek instellen naar de toedracht van de ramp van 4 oktober 1992; de lading van het vliegtuig, en het optreden van (overheids)instanties na de ramp en bij de verdere afwikkeling ervan.

De primaire doelen van het onderzoek waren waarheidsvinding en het trekken van lessen voor de toekomst. De Commissie-Meijer is grotendeels in haar opdracht geslaagd. Vooral de succesvolle speurtocht naar de vrachtbrieven is opmerkelijk. Zij is een voorbeeld voor ministers en hun ambtenaren: waar een wil is, is een weg. De Commissie heeft veel speculaties tot hun ware proporties kunnen terugbrengen. Zij heeft de zorg die slachtoffers van een ramp van de overheid mogen verwachten, vooropgezet.

Op de enquêtecommissie is al veel kritiek uitgeoefend. Deze Commissie stond nog meer in de schijnwerpers dan de vorige. Geen schijnwerpers zonder schaduw. Bij kritiek op de Commissie en haar Eindrapport moet men er echter op verdacht zijn dat deze kritiek een afleidingsmanoeuvre kan zijn om van de politieke verantwoordelijkheid af te komen. De eerste reacties op het rapport wijzen al in die richting. Het getuigt van een ongepast formalisme als men de samenvattende en noodzakelijkerwijs algemene eindconclusies gaat afzetten tegen de conclusies in eerdere delen van het rapport. Laat de feiten spreken. Laten verantwoordelijke ministers aan die feiten passende gevolgen verbinden.

Na het constateren van de laksheid bij het verzamelen van de vrachtvrachtbrieven, het doen van onderzoek naar de gezondheidsklachten en het niet of onjuist informeren van de Kamer is de vraag naar de politieke consequenties onvermijdelijk. Ministeriële verantwoordelijkheid moet zichtbaar zijn. De geconstateerde gebreken zouden voor de verantwoordelijke ministers reden moeten zijn om te zeggen: `Dit kan zo niet. Ik stap op.' Daarmee zou ook aan ambtenaren duidelijk worden gemaakt dat fouten niet gemakkelijk in hun schoenen worden geschoven, maar dat van hen veel verwacht wordt in het belang van de burgers.

Er is geen staatsrechtelijke verplichting voor ministers om de eer aan zichzelf te houden. Het zou wel een verademing zijn, na de excuuspraktijk van Paars tot nu toe, als een minister deze stap zou zetten. Ik zou zelfs van een staatsrechtelijke vernieuwing willen spreken als een minister dit goede voorbeeld zou geven.

Ik kan mij voorstellen dat ministers zich eerst willen verdedigen in de Kamer. Dan zal ook blijken hoe serieus de Kamer zichzelf neemt. Als zij de conclusies van de enquêtecommissie onderschrijft, kan dat niet zonder politieke gevolgen blijven. Als deze uitblijven, zou dat zeer ongeloofwaardig zijn.

De kans is echter groot dat de coalitiefracties elkaar bij de Kamerdebatten in een ijzeren greep houden en van politieke gevolgen niets terechtkomt. Daarom zou het winst zijn voor onze parlementaire democratie als de Kamer de conclusies van de enquêtecommissie deelt, de verantwoordelijke ministers, met name Jorritsma en Borst, de eer aan zichzelf zouden houden.

Of dat gebeurt zal afhangen van het antwoord op de vraag: hoe groot het eergevoel van ministers is.

Prof.mr. Alis Koekkoek is hoogleraar staats- en bestuursrecht aan de Katholieke Universiteit Brabant en oud-lid van de Tweede Kamer voor het CDA.