In pijnlijke ballingschap

`Politieke emigranten zijn er in twee soorten: er zijn groepen die hun kans thuis nog niet hebben gehad – Lenin en zijn revolutionaire kameraden bijvoorbeeld – en er zijn ballingen die hun kansen al gehad hebben, maar die hebben laten passeren. Wij behoorden tot de laatste categorie.' Dit inzicht, zo herinnerde de Duitse historicus Golo Mann (1909-1994) zich, drong zich al vlug na zijn gedwongen vertrek uit Duitsland, in mei 1933, aan hem op. Hij zou gelijk krijgen. Met Willy Brandt als de spreekwoordelijke uitzondering zou de Exil-gemeenschap – een bonte verzameling intellectuelen, schrijvers en kunstenaars, gevlucht voor Hitler – geen noemenswaardige rol spelen in de geschiedenis van Duitsland. De herontdekking, door de naoorlogse protestgeneratie, van het links-intellectuele deel van de emigrés als het `betere Duitsland', precies zoals de ballingen zichzelf hadden gezien, veranderde daar niet veel aan. Het Exil was, om met Golo Mann te spreken, een van de zinkende schepen van de geschiedenis geworden.

De melancholie van deze zelfbeoordeling vormt de grondtoon van het tweede deel van Golo Manns Erinnerungen und Gedanken. Het is een indrukwekkend boek, krachtiger dan het eerste in 1986 verschenen Eine Jugend in Deutschland. Mann, toeschouwer en chroniqueur van de Duitse geschiedenis, schreef nu eenmaal beter over politiek dan over zijn privé-leven.

Golo Mann, die in 1934 en 1935 in het door zijn broer Klaus geredigeerde emigrantentijdschrift Die Sammlung tot een preventieve oorlog tegen nazi-Duitsland had opgeroepen, stond in Zwitserland als gevaarlijk radicaal te boek. Nog halverwege de jaren zestig, toen hij zich bij Zürich vestigde, leidde dat tot een pijnlijk antecedentenonderzoek door de autoriteiten. Het bleef zo bij Lehrjahre in Frankreich. Politieke leerjaren waren het. De filosofie – Mann was in 1932 bij Karl Jaspers op Hegel gepromoveerd – liet hij achter zich. Politiek vatte hij breed op: als `historische Bildung'. Mann verafschuwde de emigrantenpolitiek vol onderling verwijt, zonder enige praktische zin en geobsedeerd door de ramp die Duitsland en henzelf had getroffen. Onwerkelijk waren hun discussies, zonder enig gewicht. Zeker, met hun strijd tegen de nazi's hadden de emigrés moreel gelijk, stelde hij, maar het was het gelijk van Cassandra. Het vond in Europa geen gehoor. Toch was zulk protest te prefereren boven de radiostilte over nazi-Duitsland zoals zijn vader Thomas Mann tot februari 1936 in acht nam. Golo Mann toonde meer begrip dan Erika en Klaus voor diens `Leiden an Deutschland'. Toch merkte hij bitter op dat zijn vader `zich zozeer met de Duitse Kultur vereenzelvigd had, ja zichzelf als het rechtmatige zondagskind ervan beschouwde, dat voor hem het Hitlerisme alleen al niet deugde vanwege het feit dat híj nu gedwongen was zich vol kwellende twijfel van Duitsland af te wenden, zonder dat dit overigens lukte'.

Boche

Golo Mann was opgelucht toen de eerste zomer van de ballingschap voorbij was en hij op voorspraak van een vriend van oom Heinrich docent Duitse taal- en letterkunde werd aan de Ecole Normale Supérieure in St. Cloud bij Parijs. Voorlopig bevrijd van de ellendige nutteloosheid van het emigrantenbestaan leerde Mann daar de Franse samenleving kennen, een samenleving, constateerde hij al spoedig, die nauwelijks minder verdeeld was dan Weimar-Duitsland, die internationaal het spoor volledig bijster was en die achtervolgd werd door de herinneringen aan de Eerste Wereldoorlog. Zo zag een in de loopgraven getraumatiseerde Franse collega te St. Cloud zijn vooroordelen tegen de Duitsers geheel bevestigd toen hij tussen Manns boeken Clausewitz' Vom Kriege aantrof. Dat de nieuwe collega uit Duitsland gevlucht was deed er niet toe, hij was een `boche'. Constructiever was het contact met de directeur van de school, Félix Pécaut, die zich als een mentor over Mann ontfermde. Hij was politiek gevormd voor 1914 en stond voor de Republikeinse traditie: rationalistisch en antiklerikaal, in feite nog altijd een 'Dreyfusard'. Deze onbevangen geest probeerde bij Mann begrip te wekken voor de Franse verhoudingen. Hij onderkende het gevaar van extreem-rechts in Frankrijk, dat nauwelijks minder antisemitisch was dan dat van de nazi's in Duitsland. Toch, zo blijkt uit enkele apart toegevoegde brieven van de gedesillusioneerde Pécaut, vormde Duitsland de werkelijke bedreiging voor Europa. Zonder onderscheid te maken tussen Duitsers en nazi's schreef hij aan de vooravond van de oorlog aan Mann: `Jullie Duitsers zijn een volk zonder vrolijkheid, het maakt jullie onverdraaglijk. Nee, niet de een of andere specifieke vergissing is oorzaak voor wat komen gaat...'

Op het gevaar van Duitsland hoefden de emigranten niet meer gewezen te worden. Onophoudelijk waarschuwde Mann in de `Politische Chronik' die hij voor Die Sammlung schreef voor Hitler. Uit die kroniek en ook weer uit deze memoires blijkt zijn grote ergernis over het onvermogen van de Europese staten een werkelijke machtspolitiek te voeren tegenover Hitler-Duitsland. Mateloos stoorde hij zich aan de internationale goede-bedoelingenpolitiek. De zwakke initiatieven tot Europese samenwerking al dan niet via de Volkenbond, Moskous collectieve veiligheid of het linkse antifascistische Volksfront: het waren allemaal illusies. In Genève was nog nooit iets bereikt, de Sovjet-Unie werd alom gewantrouwd en Léon Blums Franse Volksfrontregering dreigde, net als in Spanje was gebeurd, tot burgeroorlog te leiden. In het door de emigranten opgerichte Duitse Volksfront, geleid door Heinrich Mann, zag de uitgesproken antimarxistische Golo Mann al helemaal niets: het Duitse volk had zich al verenigd, achter de Führer.

Ook dit waren lessen uit de Franse leerjaren, die voor Mann deels letterlijk het karakter van een `historische Bildung' hadden. Gedurende de twee jaren te Saint-Cloud en tijdens het collegejaar 1935-1936 dat hij lector aan de universiteit van Rennes was, stortte hij zich op de Franse geschiedschrijving en de Franse literatuur. Het was voor de geheel in de Duitse historiografische en filosofische tradities opgeleide Golo Mann een openbaring. In de aanloop tot zijn studie over de conservatieve publicist Friedrich von Gentz, Metternichs secretaris op het Congres van Wenen in 1814 en 1815, verdiepte hij zich in de Franse Revolutie en de Napoleontische tijd. Vooral Albert Sorels achtdelige L'Europe et la Révolution Française (1885-1904) maakte indruk: `Wie dat in 1935 las, begreep zijn eigen tijd beter'.

Angst

En inderdaad, Manns analyse van de actuele situatie in Europa in machtspolitieke termen was sterk geïnspireerd door Sorels lezing van de buitenlandse politiek van het revolutionaire Frankrijk en van de coalitieoorlogen. Ook in zijn tussen 1936 en 1941 geschreven Friedrich von Gentz, uitte Mann, die zich sterk met de hoofdpersoon – eveneens een politieke balling - identificeerde, zijn verbazing over zoveel historische analogie. Het gaf zijn boek een wonderlijk urgente toon.

Bange verwachtingen en zwaarmoedigheid kenmerkten deze Franse jaren. Herhaaldelijk vraagt Mann zich af wat er van de mensen wier levenspad hij in deze periode kruiste terechtgekomen is. Troost putte hij uit de Franse literatuur, in het bijzonder uit het werk van Voltaire. Dit hoofdstuk over de Franse letterkunde sluit de eigenlijke biografie af. Terecht hebben de redacteuren een selectie toegevoegd uit de dagboekaantekeningen van Mann, gemaakt tijdens de maanden dat hij in Frankrijk als `feindliche Ausländer' gedetineerd was. Hij was ontzet over het halfcriminele gedrag dat in de chaotische situatie van oorlog, capitulatie en paniekvlucht de kop opstak. Na een half jaar gevangenschap wist hij via Spanje en Portugal de VS te bereiken.

`Met dertig is men af, zou men het moeten zijn', schreef Mann in 1990 aan zijn uitgever. Voor hemzelf gold dat in grote lijnen. Aan het einde van zijn Europese ballingschap had hij zich een aantal krachtige en angstige opvattingen eigen gemaakt: conservatief en met uitgesproken denkbeelden over goed en kwaad. In de mensenwereld was niets onmogelijk. Dit tweede deel van de Erinnerungen und Gedanken loopt tot 1936. Mann heeft zijn memoires niet kunnen voltooien. Wat betreft zijn intellectuele vorming tijdens de emigratie: de laatste jaren in Europa, waarin zijn ideeën over het nationaal-socialisme uitkristalliseerden, ontbreken. Zo ook de periode, van 1940 tot 1958 in de Verenigde Staten, waar bewezen werd dat een democratisch stelsel effectief kon zijn en kon samengaan met ontspannen verhoudingen. Een ontspannenheid waaraan het in het Europa van Golo Manns jeugd had ontbroken.

Golo Mann: Erinnerungen und Gedanken. Lehrjahre in Frankreich. Herausgegeben von Hans-Martin Gauger und Wolfgang Mertz, S. Fischer Verlag, 288 blz. ƒ55,70