In burgerwurg en truttenprut

Lang voordat Connie Palmen met I.M. het autobiografisme tot de populairste stroming in de Nederlandse literatuur verhief, was er al Kees van Kooten: de schrijvende mediakomiek die zichzelf en zijn bekende-Nederlanderschap tot inzet van zijn boeken maakte. Vanaf de veelzeggend getitelde verhalenbundel Koot graaft zich autobio (1980) is in Van Kootens boeken het onderscheid tussen schrijver en hoofdpersoon steeds futieler geworden. De vertellende `ik' in geslaagde novellettes als `L'écrivain' (uit de bundel Veertig) en Hedonia was de persoon die we ook van tv en uit interviews kennen: een gelukkig getrouwde familieman met twee linkerhanden, een hoofd vol muizenissen en één been in het rozevingerige verleden.

Ook in zijn met foto's en autobiografische knipsels geïllustreerde bundel Levensnevel is Kees van Kooten helemaal zijn enigszins kokette zelf. Hij houdt van dieren, is idolaat van zijn gezin, dweept met de Franse cultuur, kan geen andijvie van ijsbergsla onderscheiden en wandelt met overgave door de laantjes van de herinnering. Een andere gemene deler is in de verhalen niet aan te wijzen – of het zou de angst voor ouder worden en aftakelen moeten zijn die al door het palindroom uit de titel gesuggereerd wordt. De openingszin van Levensnevel constateert `dat dit leven steeds sneller ten einde loopt'. Met een paar bespiegelingen over opgegroeide kinderen, verergerende vergeetachtigheid, ongemakkelijke omgang met de moderne tijd, en een steeds afhankelijker wordende oude moeder herneemt Van Kooten af en toe de thema's die Veertig en sommige verhalen uit Verplaatsingen (1993) zo geslaagd maakten.

Als literator lijkt Van Kooten al jaren stil te staan. De twintig merendeels in Humo gepubliceerde schetsen zijn variaties op de kortebaansuccessen die de fans kennen uit de verzamelbundels Modermismen, Meer modermismen en Meest modermismen (1984-1989). Het enige lange verhaal, `Pater Dirk' (over een naïeve missionaris in Indonesië die door de schrijver met het oog op een televisiedocumentaire geïnterviewd wordt), is verreweg het zwakste. Van Kootens talenten – het spelen met taal en het ironisch observeren van het dagelijks leven – komen kennelijk het best tot hun recht in sketches van columnlengte. Maar ook daarin raken ze soms ondergesneeuwd door flauwe woordspelingen, oubollige terzijdes en anekdotes die niet werkelijk grappig zijn. Erg mager is bijvoorbeeld het verhaaltje over de exhibitionistische vader van een jeugdvriend die zich met ontbloot bovenlijf laat begraven (`Blootwraak'). Om maar niet te spreken van het verslag van een ontmoeting met een Nigeriaanse bende zwendelaars dat onder de titel `Zwart geld' is opgenomen.

Dat neemt niet weg dat er stilistisch het een en ander te beleven valt in Levensnevel. Er zijn mooi gevonden neologismen (`menggedaante', `burgerwurg en truttenprut') en beproefde Kooteske procédés als de letterlijk vertaalde Franse dialoog (`Welzeker agent' ... `Niets van alles agent') en de vervreemdende werkwoordsvorm (`Er kwettert een welgesteld gezelschap onze eetzaal binnen'). En er zijn zinswendingen die doen denken aan het beste werk van Carmiggelt, de humorist met wie Van Kooten de komende maanden enkele vitrines van de tentoonstelling Lichte Letterheren in het Letterkundig Museum deelt. Wie niet kan glimlachen om de `malcontente ober' in het verlaten Franse restaurant uit `Vrouwtje vouwen', of om de `rampzalige aanval van barmhartigheid' van de hoofdpersoon in `Hangkont', doet dat zeker bij Van Kootens vederlichte hommage aan de Franse pedant van het Leger des Heils: `Omdat ik nooit iets weggooi maar altijd alles kwijt ben en nog steeds op zoek ben naar onderdelen voor mijn perpetuum mobile, ga ik in Frankrijk graag langs de Emmaüs.'

Maar het gevoel van teleurstelling blijft. Eerlijk gezegd had ik de hoop dat Kees van Kooten, zes jaar na zijn laatste bundel en ten langen leste verlost van de (wekelijkse) druk van zijn televisieprogramma met Wim de Bie, serieus werk zou maken van het schrijven. Uitgesloten is dat nog steeds niet; in dat geval is Levensnevel waarschijnlijk de prullenmand die geleegd moest worden voordat de concentratie honderd procent was. De tijd dringt. In een interview met Vrij Nederland berekende Van Kooten (57) vorige week dat hij, gegeven de maximum levensduur van zijn favoriete huisdierensoort, `nog maar anderhalve hond' te gaan heeft. Wil hij de wereld bewijzen dat hij niet een eeuwige oningeloste literaire belofte is, dat hij zijn lezers met originele korte verhalen kan vermaken én ontroeren, dat hij niet hoeft te verzanden in burgerwurg en truttenprut – dan moet hij `aan het werk dus, aan het werk!'

Zoals Van Kooten het zelf met een mooie woordspeling formuleert in een van de verhalen uit Levensnevel: `Een mens zou zich veel vroeger moeten realiseren waar het allemaal te laat voor is.'

Kees van Kooten: Levensnevel. De Bezige Bij, 192 blz. ƒ29,90/ƒ39,90 (geb.)