Een zeeschuimer in tijdelijke dienst

Sir Francis Drake (1540-1596) is op Nelson na de bekendste Engelse zeeheld. Hij vocht tegen de Spanjaarden ter zee, in hun havens en op de eilanden en de kusten van Zuid- en Midden-Amerika. Van 1577 tot 1580 maakte hij een reis om de wereld waarvan alleen de eerste helft (de Atlantische Oceaan af en langs de westkust van Amerika omhoog tot Californië toe) met de Spanjaarden te maken had; de rest diende voor ontdekking en verkenning.

Zijn latere strooptochten richtten minder vernielingen aan en brachten minder buit op dan de vroegere waarmee hij zijn naam vestigde. Zijn aandeel in de overwinning op de Armada in 1588 was bovendien bescheiden, met het gevolg dat zijn notering in Londen geleidelijk omlaag ging. Maar in Spanje bleef hij de schrik van zeelieden en kustbewoners. In Engeland heeft het nageslacht zijn naam in ere gehouden.

Anders dan Nelson, admiraal in vaste dienst, werkte Drake als tijdelijke kracht. Hij bedacht plannen om de Spanjaarden te overvallen en beroven en vond er geldschieters voor. In de eerste plaats de koningin, althans de schatkist, en verder een aantal welgestelden van wie hij er na zijn eerste expedities zelf één was. Drake bedreef een gewelddadige vorm van koopvaardij. Het ging niet om overwinnen, maar om winst maken, zodat de geldschieters weer zouden willen meedoen aan een volgende onderneming.

Drake kan inderdaad, zoals biograaf Harry Kelsey opmerkt, beter een piraat worden genoemd dan een zeeheld. Alleen wist hij dat hij voordeliger zou werken met de steun van zijn regering dan onder eigen vlag uit een grot op een onbewoond eiland. Zijn grootste talent was improvisatie met een kleine eenheid van drie of vier schepen, niet op grotere schaal, zoals bleek toen hem later een rol in de Engelse vloot werd toevertrouwd.

Er was waarschijnlijk niet mèt Drake te werken, alleen onder hem. Over zijn persoonlijkheid bestaat weinig documentatie, maar de stukken bewijzen wel dat hij maar een minimum aan tegenspraak kon verdragen. Bij enkele gelegenheden ruimde hij ondergeschikten die hem dwars zaten uit de weg. Toen hij in Panama bezweek aan dysenterie, hadden zijn officieren en matrozen voorzover bekend geen tranen in hun ogen, zoals de mannen van Nelson bij diens dood. Het voornaamste wat er van Drake's persoonlijkheid gezegd kan worden is dat hij geen vrees kende, voor kogelregens zomin als voor huizenhoge zeeën. Minder bijzonder waren zijn geldzucht en eerzucht.

Dat Drake's levensverhaal niettemin een boek lang de aandacht vasthoudt is te danken aan de achtergronden waartegen het zich afspeelde. De haven van Plymouth, de onmetelijke oceaan, de Canarische eilanden en de Azoren, de goudtransporten over de landengte van Panama, de stormen van Kaap Hoorn, de Spaanse nederzettingen aan de westkust van Amerika, en de notendopjes van de piraten die wegzeilen naar de Molukken. Een lezer kan in verbeelding reizen maken zoals ze in de werkelijkheid niet meer voorkomen. De kans bestaat dat het verhaal wat dromerig wordt, zoals in een zeeheldenfilm wanneer de notendopjes wegvaren onder orkestbegeleiding. Dan is het verstandig om een realistische correctie toe te passen. Het leven van de bemanningen was benard, vuil en gevaarlijk, en voor de meesten karig beloond. Wat ging er aan boord in Drake's gedachten om? Zou hij ooit peinzend tegen de mast geleund hebben, zoals de romantische helden in de schilderijen van Haydon? Aangenomen moet worden dat de berekenende zeerover daarvoor geen tijd vrijmaakte.

Minder vreemd, zelfs vlot herkenbaar zijn de gegevens over vertraging en slordigheid bij het voorbereiden van de reizen. Financiering, bevoorrading, de aanmonstering, allerlei zaken verliepen moeizaam, zodat een expeditie vaak met maanden vertraging vertrok. Intussen hadden de Spanjaarden informatie in handen gekregen over de plannen. Zij waren dan tenminste gewaarschuwd, wat niet wil zeggen dat zij effectieve tegenmaatregelen konden nemen. Als Drake eenmaal onderweg was, bedacht hij vaak iets nieuws, en het beveiligen van de talrijke handelsposten in de Nieuwe Wereld tegen agressie was onmogelijk, omdat er geen troepen voor beschikbaar waren.

In de maanden, en een enkele keer jaren, dat een expeditie duurde, wisten de Spanjaarden achteraf meestal beter welke van hun posten waren aangevallen dan de Engelsen. Madrid had overal mensen zitten; in Londen kwamen alleen lukraak berichten binnen, die slordig bewaard werden en vaak werden geheimgehouden om de Spaanse regering geen gelegenheid tot klagen te geven over vijandelijkheden terwijl er nog geen sprake was van een officiële oorlog.

De geringe informatie over Drake's leven (ook al omdat Drake zelf meer belangstelling had voor buit dan voor verslaglegging, zelfs over zijn eigen wapenfeiten) betekent dat historici nog vele jaren onbekende gegevens zullen willen opsporen. Harry Kelsey heeft al een massa werk verzet. Zijn bibliografie is indrukwekkend, vooral de lijst van bibliotheken waar hij bronnenstudie heeft gedaan, van Londen tot Den Haag tot Rome tot Sevilla tot Mexico tot Washington. Toch is hem verweten, althans voorgehouden, dat hij niet alles gelezen heeft wat ter zake zou kunnen zijn.

Een volgende biograaf zou misschien een paar meer innemende trekken op het portret van Drake kunnen aanbrengen, en bijvoorbeeld kunnen betogen dat hij bij vlagen best bereid was om samen te werken, maar veel bijzonderheden over zijn leven zullen onbekend blijven. Daar hoeft de lezer zich niet over te beklagen. Een biografie kan genoeg hebben aan duidelijkheid over de helft van een mensenleven, waarna de andere helft aan de verbeelding wordt overgelaten. Biografen van twintigste-eeuwers bedelven hun lezers vaak onder uitputtende gegevens over elke dag dat hun onderwerp heeft geleefd. Kelsey weet minder dan tien pagina's te vullen over het laatste deel van Drake's wereldreis, van Californië westwaarts terug naar Plymouth, veertien maanden lang. Het is juist een mooi stuk van zijn boek, waar de gedachten vaak naar teruggaan.

Het geheel had alleen wel mooier kunnen worden als Kelsey gevoeliger met de taal was omgegaan. Het boek bevat fraaie kaartjes. De zee grijs, eilanden wit en een lijn met pijlen waar de schepen varen. Zulke helderheid ontbreekt vaak in geschiedenisboeken, en worden dan node gemist. Hier staan er meer dan veertig, afgewisseld met oudere tekeningen, waar de kritische lezer zich als naïeve kijker bij kan ontspannen.

Harry Kelsey: Sir Francis Drake. The Queen's Pirate. Yale University Press, 566 blz. ƒ89,55