Een paard van Troje

Binnenkort te zien in uw thuisbioscoop. Gebaseerd op ware gebeurtenissen. Oudere heer versiert oudere dame bij de groenteafdeling van Albert Heijn. Hij haalt haar over om haar saaie echtgenoot te verruilen voor het avontuur. Samen rijden ze in zijn knalgele cabriolet richting zuiden, begeleid door `Hey Girl' van Gruppo Sportivo. In Frankrijk eten ze oesters van het geld dat ze krijgen van Nederlandse toeristen, door te doen alsof ze beroofd zijn.

Ander voorbeeld. Inspelend op de politieke actualiteit. Jonge officier van justitie krijgt een lastige zaak toegewezen: een onderzoek naar de beweringen van een Bosnisch meisje dat zegt verkracht te zijn door drie Dutchbatters. Tegen de zin van zijn superieuren zet hij alles op alles om de waarheid te ontdekken, ook nadat de zaak al is geseponeerd. Het openbaar ministerie blijkt minder onafhankelijk dan gewenst.

Op twee achtereenvolgende dagen is het binnenkort op tv te zien: criminele senioren aan de zwier langs de Rivièra en een doofpot-affaire in de schaduw van Srebrenica.

De publieke omroep onderscheidt zich van de commerciële zenders door zelfgemaakt drama en doet dat met verve. Naast prestigieuze en veelgeprezen series als Oud Geld bloeit sinds een paar jaar de losstaande dramaproductie van vijftig à zestig minuten, in Hilversum aangeduid als `single play'. Op zichzelf staande films zijn het, maar omwille van de klantenbinding geven de omroepen ze graag de schijn van een serie. Bij de VPRO heet het `Lolamoviola' of `Goede daden bij daglicht', bij de NPS `Novellen'. Een serie als `De Zeven Deugden', nu te zien bij de KRO, is niet meer dan een alibi voor zeven korte films, in de hoop dat kijkers wekelijks zullen afstemmen.

Afgelopen maandag presenteerde de publieke omroep de eerste aflevering van een nieuw fenomeen, de telefilm. Zes Nederlandse speelfilms, gemaakt voor vertoning op televisie. De kans dat ze ooit de bioscoop halen is klein. In het buitenland bestond de telefilm al langer, hier is het nieuw. Het pilot-project, dat zeker zal worden voortgezet en zelfs uitgebreid, is een door speelfilmproducenten voorbereid initiatief van de vorige cultuur-staatssecretaris Nuis, als onderdeel van een drieledig stimuleringsplan voor de speelfilmindustrie. Bijna de helft van het budget van ruim elf miljoen gulden (het budget per film is 1,8 miljoen) komt van het ministerie van OC&W. De dubbele bedoeling van het plan is meer samenwerking tussen film en tv enerzijds, meer films maken dan de huidige vijftien à twintig per jaar anderzijds.

Die doelen zullen wel worden bereikt, met al het economisch voordeel van dien. Meer films betekent meer werkgelegenheid voor camera-assistenten, decorbouwers en geluidstechnici. Dat is mooi en het sluit aan bij de oorspronkelijke bedoelingen van de producentenlobby, die drie jaar geleden werd ingezet met een pleidooi voor een economische benadering van de speelfilmindustrie. Of de Nederlandse film ook in artistiek opzicht gebaat zal zijn bij de komst van de telefilm, is nog maar de vraag.

Actueel

Niet dat de telefilms slecht zijn. Integendeel. Met uitzondering van de wat ongelukkige start zijn het interessante en goed gemaakte dramaproducties. De twee situaties hierboven, de criminele senioren en de doofpot-affaire, zijn afkomstig uit Man, vrouw, hondje van Nicole van Kilsdonk en Maten van Pieter Verhoeff. Verder komen voorbij: een asielzoeker uit Iran (Cowboy uit Iran, regie Ilse Somers), een gezin met adoptiekinderen (Dat is nooit mijn naam geweest; Eric Oosthoek) en rivaliserende kunsthistorici in het Rijksmuseum (De trein van zes uur tien; Frank Ketelaar). Alleen de meest geslaagde telefilm, Suzy Q van Martin Koolhoven, trekt zich niets aan van het enige kenmerk dat de films inhoudelijk verbindt, de voorkeur voor actuele maatschappelijke thema's.

Er valt genoeg te genieten bij de telefilms. Nabijheid, herkenbaarheid - precies dat wat Nederlandse films aantrekkelijk maakt - zijn volop aanwezig. Het vertrouwde wordt niet zomaar bevestigd, het gaat om de fictieve zwier die wordt toegevoegd. Het is mooi om te zien hoe een Amsterdamse Berlage-straat, de Rotterdamse Erasmusbrug of het Noord-Hollandse platteland worden verbeeld. Hoe Hollandse toeristen in Zuid-Frankrijk worden getypeerd door middel van hilarische video-interviews. Je kunt genieten van acteurs, juist omdat ze `dichtbij' zijn: het onhandige loopje van Helmert Woudenberg, de minieme triomf in de blik van Carice van Houten, het feilloos op elkaar inspelen van Ricky Koole en Dirk Zeelenberg. Ze zijn niet altijd goed te verstaan - de jaren '70-kwaal duikt weer op! - maar wat spelen ze goed, die Nederlandse acteurs.

Als tv-drama voldoen de telefilms uitstekend, maar ze missen het lef en de allure van een bioscoopfilm. Dat was ook niet het streven, zullen de bedenkers zeggen, en dat is precies het probleem. De telefilms missen de ambitie om groots en indrukwekkend te zijn. Ze zijn adequaat, en daar zijn ze tevreden mee. Ze zijn het bewijs dat er wel degelijk verschil is tussen film en tv, hoezeer de beide media ook met elkaar vervlochten zijn geraakt. De filmbranche zou de verschillen moeten koesteren, in plaats van ze proberen op te heffen.

Bioscoopallure is een kwestie van esthetiek - minder close-ups, meer exterieurscènes. Het heeft ook met de hoogte van het budget te maken. Meer geld betekent meer tijd, om aan het scenario te schrijven, op te nemen en te monteren. Het is bovenal een kwestie van durf, om groots uit te pakken en om eigenzinnig te zijn. Geen concessies aan de lengte vanwege reclameblokken, niet te uitleggerig zijn uit angst dat kijkers anders zullen wegzappen, geen spanningsboog die de kijker toestaat om even weg te lopen. Het primaat bij de maker in plaats van bij de kijker, dat is bioscoopallure.

Als enige telefilm verdient Suzy Q een tweede leven in de bioscoop. Regisseur Martin Koolhoven toont een verlangen dat verder reikt dan het tonen van vakmanschap. Met steun van scenariste Frouke Fokkema en cameraman Menno Westendorp groeit het teleurstellende bezoek van puber Suzy aan de hotelkamer van Marianne Faithfull en Mick Jagger uit tot een wrang familiedrama. Maten van Pieter Verhoeff is daarentegen een voorbeeld van het best denkbare tv-drama. Een spannend scenario van Kees van Beijnum in de traditie van eenling-bevecht-systeem wordt goed verteld, met mooie acteurs. Wat ontbreekt is een eigen stijl, wat meer mysterie. Tv-drama is anoniem en afgebakend, speelfilms zijn uitgesproken en rafelig.

Hoogstaand

De telefilm brengt niets nieuws. Nieuw is alleen de financiële constructie. Voor de omroepbazen mag dat spectaculair zijn, voor de kijkers maakt dat niets uit. Zij zien geen verschil tussen telefilms en het kwalitatief hoogstaande tv-drama dat ze de laatste jaren gewend zijn geraakt. De frequentie is niet hoog genoeg om er een apart genre in te kunnen herkennen. Er is maar één verschil: in plaats van de gebruikelijke vijftig à zestig minuten duren deze films negentig minuten. En dat blijkt in drie van de zes gevallen te lang.

Telefilm is geen film, maar Hilversum doet alsof het wel zo is en de filmbranche laat het gebeuren. Met het verschijnsel `speelfilm voor tv' haalt de filmbranche een paard van Troje binnen, en in zijn buik zitten lachende omroepbaasjes. Zij, en niet de speelfilmindustrie, profiteren nu van het geld en het prestige. De Nederlandse speelfilm zou veel meer gebaat zijn bij het vergroten van het verschil tussen tv-drama en bioscoopfilms. Gelijkschakeling van film en tv heeft alleen maar nadelen. In financieel opzicht is het ongunstig, want het geld voor de telefilms is deels afkomstig uit potten die anders aan speelfilms zouden worden besteed. In artistiek opzicht leidt het tot gewenning aan kleinschalige tv-esthetiek die fnuikend is voor het verlangen naar grootsheid. Met de telefilm raakt film weer wat verder verwijderd van zijn natuurlijke omgeving, de bioscoop. Film verliest weer wat van de grandeur die hem zo aantrekkelijk maakt.

Het belangrijkste bezwaar betreft de makers. Hilversum is gek op jonge filmmakers: ze hoppen van `Lolamoviola' naar `Novelle' en weer terug. Dat comfort is aangenaam en ontneemt hun de ambitie om in veel moeilijker omstandigheden grote speelfilms te gaan maken. Talenten als Nicole van Kilsdonk en Martin Koolhoven moeten hun eerste speelfilm voor de bioscoop nog maken. Het gevoelsmatige bezwaar ten slotte is taalkundig van aard. Om verwarring te voorkomen moeten we voortaan spreken van `speelfilm voor tv' en `speelfilm voor de bioscoop'. Door de komst van de telefilm is het immers niet langer vanzelfsprekend dat een speelfilm gemaakt is voor in de bioscoop. Dat is jammer.

Vertoning telefilms:

26 april, TV2 (EO), 20.55 u: Dat is nooit mijn naam geweest van Eric Oosthoek

5 mei, Ned 1 (AVRO), 21.05 u: De trein van zes uur tien van Frank Ketelaar

11 mei, Ned 3 (NPS), 20.25 u: Maten van Pieter Verhoeff

12 mei, Ned 1 (NCRV), 21.05 u: Man, vrouw, hondje van Nicole van Kilsdonk

18 mei, Ned 3 (VPRO), 20.25 u: Suzy Q van Martin Koolhoven

(Cowboy uit Iran van Ilse Somers werd uitgezonden op 19 april jl door de EO)