Drie zusters en hun oud geheim

Op het eerste gezicht doet Kristien Hemmerechts in haar nieuwe roman De tuin der onschuldigen dingen die ze als schrijfster altijd heeft willen vermijden. Zo verklaarde ze ooit in deze krant dat ze er niets in ziet om in haar boeken uit te pakken over haar culturele bagage. `Ik maak nauwelijks of geen verwijzingen naar de schilderkunst, literatuur of muziek', zei ze.

In De tuin der onschuldigen (alleen de titel al lijkt me een toespeling op Jeroen Bosch' schilderij De tuin der lusten) wemelt het van de verwijzingen. Niet dat het boek – een verhaal over drie zusters – onbegrijpelijk is als je Tsjechovs toneelstuk De drie zusters nooit hebt gezien of als je te weinig culturele bagage hebt om de namen Judith, Helena en Nora te kunnen duiden, want Hemmerechts toont zich gaarne bereid tot het geven van tekst en uitleg. En ook dat is tegen haar principes. `Het ergert me', vertelde ze in hetzelfde interview, `wanneer een schrijver teveel uitlegt'. Volgens haar moet een verhaal ongrijpbaar zijn, geen uitleg geven, maar bestaan uit met betekenis geladen beelden en stemmingen. Omdat er geen inzicht bestaat, moet een roman ook niet proberen inzicht te verschaffen.

Inderdaad is het verhaal dat in De tuin der onschuldigen wordt verteld nogal ongrijpbaar, duister zelfs, zoals vaker het geval is bij Kristien Hemmerechts. Duiden, uitleggen doet ze slechts in schijn, haar explicaties zijn niet meer dan wanhopige, soms bizarre pogingen van haar personages om verklaringen te vinden voor het onverklaarbare.

Nora, de in de ik-vorm vertellende hoofdfiguur, is de jongste van de drie zusters. Ze is genoemd naar de Nora uit Ibsens Poppenhuis, een toneelstuk dat haar moeder las toen ze zwanger van haar was en dat ze gekregen had van een regisseur die haar een toneelcarrière voorspelde. Anders dan Ibsens Nora – een vrouw die man en kinderen verliet – koos deze moeder blijvend voor een bestaan als huisvrouw, maar dochter Nora werd in haar plaats toneelspeelster.

Met deze gevierde actrice betreedt Hemmerechts bekend terrein. Zoals vrijwel al haar personages is ook Nora een obsessief promiscue vrouw, die zich laat leiden door lustgevoelens en als gevolg daarvan regelmatig in de problemen raakt. Pas op voor afgewezen minnaars, spreekt ze uit bittere ervaring. Maar essentiëler voor haar levenshouding is dat zij, opnieuw met verwijzing naar Ibsens vrouwenfiguur, even sterk verlangt naar gebondenheid als naar onafhankelijkheid. Gebonden is ze aan haar zwijgzame, afstandelijke echtgenoot, aan haar rollen op het toneel en aan een met haar zusjes gedeeld verleden. Haar zucht naar onafhankelijkheid leeft ze uit in de rol die ze buiten het theater speelt als roekeloze, onstuimige minnares.

Het knellendst blijkt de band met haar zusters, waaraan niet valt te ontsnappen. Volgens Nora is het toneelstuk van Ibsen waaraan zij haar naam ontleent `in de eerste plaats een stuk over de vele grote en kleine dingen die leden van eenzelfde gezin voor elkaar verborgen moeten houden' en ik denk dat hetzelfde gezegd kan worden van De tuin der onschuldigen. De drie zusters ondernemen in deze roman een reis naar hun verleden, een gehucht aan de Spaanse kust waar ze als kind iedere zomer met de hele familie verbleven. Ze delen een ontuchtig geheim dat aan die plek verbonden is, een geheim waarmee twee van hen elkaar al jarenlang chanteren.

In het Spaanse dorp bevond zich ooit een gesticht voor `ongewenste meisjes': weeskinderen, van huis weggelopen schepsels die zich hadden geprostitueerd en wat dies meer zij. Met de meisjes van dat gesticht voelen de zussen zich verbonden. Gefascineerd hebben ze in hun jeugd de in uniform gestoken stakkers bespied, hoewel er tegelijk veel aan hun oog ontsnapte. Zo kwamen ze er pas veel later achter dat hun grootvader een relatie had met de directrice van het tehuis, dat om die reden als woonhuis van een tante in de familie bleef. De tante heeft het pand, toen de ongewenste meisjes eruit waren verdwenen, gekocht en nu wil ze het aan haar nichtjes nalaten. Daar zijn de erfgenamen allerminst gelukkig mee, maar toch besluiten zij hun toekomstige bezit te gaan bekijken. Vandaar de gemeenschappelijke tocht.

Het reisdoel heeft in dit boek geen enkele betekenis. De reis zelf is alleen maar een manier om de drie volwassen zusters nog eens bij elkaar te krijgen. Hemmerechts wil ontsluieren wat voor vrouwen het zijn, zowel in hun eigen als in elkaars ogen. Zij wil nagaan waar hun onderlinge band op is gebaseerd, weten welke geheimen ze voor elkaar koesteren en waarvoor ze bij elkaar in het krijt staan. En natuurlijk is niets wat het op het eerste gezicht lijkt. Niet alleen verschillen de herinneringen van de drie vrouwen hemelsbreed van elkaar – zelfs als het herinneringen aan identieke gebeurtenissen, personen of plaatsen betreft – ook de werkelijkheid die aan die herinneringen ten grondslag ligt is niet eenduidig.

De middelste zus, Heleen, heeft nog het beste geheugen, maar weet het minste. In het stuk van Ibsen speelt Helen een bijrol als dienstmeisje, terwijl Hemmerechts aan Heleen (het scheelt maar een letter) een hoofdrol toekent. Deze rondborstige schoonheid, zo wordt pas gaandeweg duidelijk, is niet goed bij haar hoofd en heeft daardoor het leven van haar zusjes zo niet vergald dan toch wel gestempeld. Van jongs af aan hebben ze haar in de gaten moeten houden, omdat ze ieder moment volkomen ontremd of anderszins in de war kan raken. Als ze Heleen tijdens hun reis naar Spanje even alleen laten op een Franse camping, misdraagt zij zich dermate dat ze tijdelijk wordt opgenomen in het plaatselijke gekkenhuis, Le jardin des innocents.

Hoe `onschuldig' is Heleen en hoe staat het met haar twee `normale' zusjes? De hitsige Nora zou ook zonder Heleens toedoen wel in de Jardin des innocents zijn beland, omdat ze er de nacht wilde doorbrengen met de directeur, die ook door oudste zus Judith wordt begeerd. Judith, Heleen en Nora, ze verschillen niet zo vreselijk van elkaar. De eerste hakt volgens het bijbelverhaal het hoofd van haar minnaar af, de tweede laat haar echtgenoot in de steek voor een geliefde uit Troje, de derde verlaat haar man en kinderen omdat ze er genoeg van heeft.

In de roman zijn de rollen iets anders verdeeld, maar alle drie de zusters laten zich leiden door hun lusten, die ze op vrijwel identieke wijze botvieren. Een dag nadat Nora uit pure geilheid met ontblote borsten achter het stuur van haar auto over een snelweg heeft geraasd, trekt Heleen haar hemd uit voor wie haar maar wil bekijken. Ten slotte maakt Judith de cirkel rond: terwijl Heleen de nacht doorbrengt in het gekkenhuis waarvan de directeur op Nora wacht, biedt Judith haar jongste zusje haar borsten aan in een allerminst onschuldige scène die – hoe teder misschien ook bedoeld – even absurd als weerzinwekkend is.

Zoals meestal bij Hemmerechts is de verhaallijn niet erg sterk. Welke rol het Spaanse meisjesgesticht – waarvan de drie zusters een huis der onschuldigen willen maken, bedoeld voor de vrouwen die er ooit zaten opgesloten – speelt, is mij bijvoorbeeld niet duidelijk. De meest waarschijnlijke interpretatie is dat de geüniformeerde bleke meisjes en hun gesticht slechts een functie hebben in het toneelstuk dat de actrice Nora in gedachten schrijft, een combinatie van Het Poppenhuis, De drie zusters en haar eigen verhaal. In dat stuk – de roman dus – dient het gesticht als theatraal decor, terwijl de bewoonsters ervan het koor vormen en met hun klaagzang het verhaal verstoren.

In werkelijkheid zijn er geen klaagzangen van weesmeisjes, er zijn vooral door stiltes omgeven geheimen. En het verhaal? Ach, dat doet er weinig toe – dat gaat vooral over de mensen die er niet in optreden, over dat wat niet gezegd wordt, maar waarover we des te meer kunnen speculeren. Niet in de vertelling, de karaktertekeningen of de gebeurtenissen schuilt de kracht van De tuin der onschuldigen. Betekenis ontleent deze roman in de eerste plaats aan Hemmerechts' zowel poëtische als sobere taal en aan de onbestemd weemoedige sfeer die ze daarmee oproept. Een sfeer die – bedoeld of onbedoeld – trouwens sterk doet denken aan De drie zusters waarvan we nog altijd niet weten of Tsjechov het als komedie dan wel tragedie bedoelde. Bij Hemmerechts zou ik kiezen voor de laatste variant.

Kristien Hemmerechts: De tuin der onschuldigen. Atlas, 223 blz. ƒ39,90