De geschiedenis van een slecht geweten

Parijs, zomer 1943. De deportatie van joden is in volle gang, nadat de slachtoffers al sinds geruime tijd zijn geïsoleerd. Joden moeten een gele ster dragen en het is hun verboden openbare gelegenheden, zoals theaters, te bezoeken. In een van die theaters gaat op 3 juni Les mouches van Jean-Paul Sartre in première. Zonder problemen is het stuk de Duitse censuur gepasseerd. De in 1905 geboren Sartre, sinds de publicatie van La Nausée (1938) een gevierd auteur, was na de inval van de nazi's in juni 1940 krijgsgevangen gemaakt. In april 1941 kwam hij vrij, waarom is niet duidelijk. Gedurende korte tijd ondernam hij halfslachtige pogingen een verzetsgroepje van de grond te krijgen, `Socialisme et Liberté'.

Toen dat mislukte koos hij voor de aanpassing, een keuze die gedeeld werd door het gros van de Franse kunstenaars en intellectuelen: `on s'installe'. Sartre stortte zich op het schrijven en in hetzelfde jaar dat Les mouches voor het eerst werd opgevoerd, verscheen zijn filosofische hoofdwerk L'être et le néant. Zijn vriendin Simone de Beauvoir verdiende de kost door uitzendingen te verzorgen voor het radiostation van het collaborerende Vichy-regime.

Na de bevrijding werd Sartre twintig jaar lang het bewonderde orakel van het links-radicale en onder intellectuelen immens populaire gauchisme, dat aansluiting zocht bij de idealen van de Franse Revolutie en dat vaak leidde tot volgzaamheid aan de communistische PCF. Die partij kon profiteren van de reputatie dat zij verzet aan de nazi's had geboden, althans na de Duitse inval in de Sovjet-Unie van juni 1941. `Van verzet naar revolutie', werd de slogan die na de oorlog richting gaf aan een gedrag dat volgens Jürg Altwegg in hoge mate het resultaat was van compensatiedrang. Frankrijk, zo schrijft hij in Die langen Schatten von Vichy, werd een republiek van de stilte als het ging om de herinnering aan de geschiedenis van aanpassing en collaboratie tijdens de jaren '40-'44.

Om die episode uit het geheugen te verdringen stortte de Franse intelligentsia zich onder leiding van Sartre des te luidruchtiger in het posterieure verzet van de linksradicale strijd tegen het heersende gezag. De Koude Oorlog werd benut als een mogelijkheid om in te halen wat tijdens de vorige oorlog verzuimd was. Men verzette zich nu met grote passie tegen de regeringspolitiek van aansluiting bij de NAVO, tegen de Verenigde Staten en vooral tegen het anticommunisme. Een anticommunist was, zoals Sartre het onfilosofisch samenvatte, niet beter dan een hond. Nadat het Sovjet-leger in 1956 de Hongaarse volksopstand bloedig had onderdrukt, distantieerde de inmiddels wereldberoemde auteur zich van de applaudisserende PCF, maar ook voor de toekomst bleef hij zijn hoop op de Sovjet-Unie stellen.

Verdringingsmechanisme

Pas in de loop van de jaren '70 verdween zijn invloed en raakte hij in een isolement. Het intellectuele klimaat in Frankrijk veranderde drastisch door toedoen van de nouveaux philosophes, geleid door André Glucksmann en Bernard-Henry Lévy. De Russische schrijver en dissident Solzjenitsyn werd als strijder voor de mensenrechten, dat wil zeggen voor de werkelijke erfenis van 1789, tot held verklaard. Het marxisme verloor zijn aantrekkingskracht als instrument van revolutionaire bevrijding en werd nu veroordeeld als bron van totalitaire terreur. Altwegg wijst op het verband met een gelijktijdig op gang komende ontwikkeling: de Lebenslüge van Frankrijk als verzetsnatie kwam onder vuur te liggen. Het linksradicalisme wankelde ook als verdringingsmechanisme, doordat de werkelijkheid van Vichy begon door te dringen. Het meeste tumult werd veroorzaakt door het in 1981 verschenen L'idéologie française, waarin het collaborerende bewind van Pétain door Lévy niet als een door de Duitsers opgelegd regime werd afgeschilderd, maar als een product van nationale makelij dat lange intellectuele wortels in de Franse geschiedenis had.

Datzelfde jaar werd François Mitterrand president. Hij zou het ambt tot 1995 blijven bezetten, langer nog dan De Gaulle had gedaan. Altwegg wijst op overeenkomsten tussen het gedrag van Sartre en Mitterrand tijdens de oorlogsjaren. Ook de in 1916 geboren Mitterrand raakte in 1940 in krijgsgevangenschap. Na zijn ontsnapping, eind 1941, was hij niet in het verzet gegaan, zoals hij de lezers van zijn in 1969 verschenen herinneringen Ma part de vérité (!) had proberen wijs te maken. In werkelijkheid deed hij die stap pas een jaar later en trad hij begin 1942 in dienst van Vichy. Nog in november 1943, toen hij al actief was in het verzet, ontving hij uit handen van maarschalk Pétain de Francisque, een hoge onderscheiding. Deze waarheid, evenals het feit dat hij in de jaren '30 actief was geweest in een rechts-extremistische organisatie, kwam pas aan het licht toen de historicus Pierre Péan in 1994 zijn Une jeunesse française publiceerde.

Het boek van Altwegg laat zich lezen als de geschiedenis van een slecht geweten. Hij ziet Sartre en Mitterrand als exponenten van een collectief bewustzijn dat lang bepaald werd door schuldgevoel. Maar deze Duitse auteur, die geregeld bijdragen levert aan de conservatieve Frankfurter Allgemeine Zeitung, gaat veel te ver. Hij maakt de fout dit deel van de Franse geschiedenis door het prisma van Duitse ervaringen te bekijken. Medeplichtigheid aan jodendeportatie en andere vormen van collaboratie zijn ernstig, maar in de nationale herinnering minder traumatiserend dan de verantwoordelijkheid voor de organisatie en uitvoering van de massamoord op de joden waarmee de Duitsers sinds 1945 worstelen.

Overlevingskunstenaar

Altwegg plaatst het naoorlogse politieke en culturele leven van de Fransen veel te sterk in het perspectief van een collectief schuldgevoel dat in Frankrijk na 1945 minder overheersend is geweest dan in Duitsland. Vrijwel elke stroming en ontwikkeling in politiek en literatuur reduceert hij tot een reflex op Vichy. Niet alleen het communisme (waarvan hij vergeet dat het ook al in de jaren '30 onder intellectuelen een grote aanhang had), ook het antikolonialisme, het structuralisme, het postmodernisme, etc. – overal ontdekt Altwegg een behoefte aan antifascistische overcompensatie. Zijn studie imponeert door een brede greep op talrijke lagen van het maatschappelijk leven, maar stelt teleur door de oppervlakkigheid waarmee zoveel uiteenlopende verschijnselen tot één oorzaak worden herleid.

Zijn constatering dat politiek en literatuur sinds de revolutie van 1789 in Frankrijk een bijzonder verbond zijn aangegaan, heeft te veel het karakter van een losse opmerking. Juist die symbiotische verhouding zegt meer over de naoorlogse aantrekkingskracht van Sartre en Mitterrand dan hun voor veel Fransen herkenbare `wait-and-see-houding' tijdens de oorlogsjaren. Sinds de ideeën van de achttiende-eeuwse Verlichtingsfilosofen een politieke macht vertegenwoordigden die de religie als zodanig verdrong, is de maatschappelijke rol van les hommes de lettres groot gebleven. Zoals in Nederland de politiek traditioneel is verbonden met de moraal, zo is dat in Frankrijk het geval met de literatuur. In de politieke oordeelsvorming slaagt de esthetica er daardoor vaak in de ethica te verdringen. Mitterrand werd en wordt bewonderd als de man die een meester was in de uitvoering van de zowel-als-ook-partituur. Dat hij tijdens de oorlogsjaren enige tijd naar Nederlandse maatstaven amoreel handelde door zijn verzetswerk te combineren met activiteiten voor het Vichyregime, wordt in Frankrijk meer gewaardeerd dan ook Altwegg wil inzien. Het gros van de Fransen was al tijdens de bezettingsjaren van mening dat zowel Pétain als De Gaulle een respectabele rol speelde: hòe respectabel, dat hing van de uitkomst van de oorlog af.

Ook na de bevrijding bleef Mitterrand een gewaardeerde overlevingskunstenaar. Nadat hij in de jaren '50 als centrumpoliticus vele malen minister was geweest, werd hij leider van de linkse oppositie, omdat die rol de enige mogelijkheid bood om De Gaulle serieus te beconcurreren. Zijn lange carrière bleef vol van verrassende wendingen en affaires, maar als politieke kameleon oogste hij respect door in stijl overeind te blijven. Toen later bleek dat hij ook privé meer dan één gedaante had gekend, werd hem dat vergeven. Zijn buitenechtelijke dochter en haar moeder waren in 1996 prominent aanwezig op zijn begrafenis.

Stijl en mentaliteit, maar ook temperament telt in de Franse politieke cultuur minstens even zwaar als richting en inhoud. Sinds de politiek in 1789 de plaats heeft ingenomen van de religie, is zij doordrenkt van de behoefte aan pathos en heilsverwachting. Altwegg noemt ook dit aspect terloops, maar onderkent niet hoe belangrijk het was voor de aantrekkingskracht van Sartre's gauchisme, veel belangrijker dan de behoefte aan een antifascistische inhaalmanoeuvre. Deze schrijver oogste bewondering als de exponent van het politieke delirium, op zoek naar een groots visioen dat wortels had in de revolutionair-nationale erfenis van 1789.

Een overschatting van zijn thema speelt Altwegg ook parten in zijn oordeel over de gevolgen van de Franse Vergangenheitsbewältigung voor de huidige verhouding met Duitsland. Frankrijk is volgens hem een rationeler land geworden sinds het zich openlijk rekenschap geeft van het Franse gedrag tijdens de Tweede Wereldoorlog. Niet alleen verschenen de afgelopen twintig jaar talloze publicaties over Vichy, in 1995 sprak de zojuist als president gekozen Chirac openlijk de erkenning uit dat de Franse natie als `patrie des Lumières et des droits de l'homme' tekort was geschoten in zijn hulpvaardigheid aan joodse landgenoten. Nu de politieke regie niet meer in handen is van een verdrongen verleden, aldus Altwegg, is Frankrijk geneigd een relatie met Duitsland te onderhouden die meer in het teken van zakelijkheid staat.

Chirac

Hij vergeet dat de door gemeenschappelijke belangen bepaalde samenwerking tussen deze twee naties al sinds 1950 – met het door Jean Monnet ontworpen plan-Schuman – op gang is gekomen. Maar die ontwikkeling heeft in Frankrijk niet tot een verslapping geleid van de passie voor de `exception française', het idee dat de Franse natie door haar exclusieve karakter een bijzondere missie te vervullen heeft. Integendeel, de hartstocht voor de nationale grandeur is in de relatie met Duitsland altijd door blijven werken.

Aan het eind van de jaren '90 roept President Chirac van de daken dat de samenwerking met Bonn een middel is om de status en positie van Frankrijk te versterken. Altwegg wijst op de invloed van intellectuelen als Alain Minc en Jacques Juliard, die pleiten voor aanpassing van de Franse samenleving, in het kader van de Europese integratie, aan de gemondialiseerde markten. Maar deze liberalen stuiten op hartstochtelijk verzet bij belangrijke publicisten als Pierre Bourdieu, Régis Debray en Max Gallo. Zij hebben Sartre's revolutionaire heilsverwachting achter zich gelaten, maar verwerpen de `pensée unique' van het marktdenken als een aanslag op de in Frankrijk traditioneel sterke positie van de regulerende staat.

Alleen gaullisten en socialisten geloven volgens Altwegg nog in het primaat van de politiek. Hij lijkt over het hoofd te zien dat dit in Frankrijk nog altijd de twee belangrijkste stromingen zijn. Zoals hij evenmin inziet dat de wortels van de `exception française' langer en dikker zijn dan die van Vichy. De passie voor nationale status en erfgoed komt uit veel meer voort dan de inmiddels wijkende behoefte de herinnering aan een bruin verleden te verdringen.

Jürg Altwegg: Die langen Schatten von Vichy. Frankreich, Deutschland und die Rückkehr des Verdrängten. Carl Hanser Verlag, 389 blz. ƒ51,75