De club 1 Corinthiërs 13:9

In 1976 werd in Engeland een blunderclub opgericht. Om tot deze vereniging te mogen toetreden moest men ergens niet goed in zijn. Op de vergaderingen toonde men zijn gebrek aan kunnen, willekeurig op welk gebied. Tijdens de oprichtingsavond, gehouden in een restaurant waar de kok niet kon koken, liet de niet op haar taak berekende serveerster een soepkom uit haar handen vallen. Er voltrok zich een drama. De club- voorzitter meende die kom op het laatste moment te moeten opvangen. Meteen werd hij geroyeerd. Hij had de serveerster gehinderd in de ontplooiing van haar volledige blunderen.

Deed het bestuur recht met dit royement? Nu betreden we een hoogst onzeker gebied, vol onontwarbare neteligheden. Bewees de voorzitter zijn blundertalent niet eerder door de soepkom op te vangen? Of was hij gewoon niet erg goed in blunderen en was zijn voorzitterschap alleen al daardoor gerechtvaardigd? Zo ja, dan moest het bestuur onmiddellijk aftreden. Men had de voorzitter niet mogen royeren. Je zou ook kunnen zeggen dat het bestuur met dit royement een blunder beging. Maar dan moest het juist weer niet aftreden!

Het verhaal over deze blunderclub staat beschreven in Matthijs van Boxsels Encyclopedie van de domheid, een boek over de veelkleurige verschijningsvormen van de domheid. Het is op het eerste gezicht een volstrekt onalledaagse wereld. 'In een sterrenloze vlakte draait een tredmolen. Een zeepbel wordt voortgedreven door de wind. Kikkers kwaken naar een gekroonde knuppel. De weide lacht.'

De encyclopedist neemt ons mee op zijn wandeling naar de Academie van de Domheid. Op het dak wappert een zwarte vlag die alle licht absorbeert en niets reflecteert, de inrichting der zalen is verbijsterend. Op de vloer verspreide instrumenten van schedelmeters, aan de muur een plattegrond van Odysseus' tocht door Zeeland. Hij ziet een gans in een kooi, een kip zonder kop, het achtereind van een varken steekt door de gordijnen, er is een a capella-koortje hoorbaar dat 'Stupid Cupid' zingt. In de bibliotheek vindt hij titels van standaardwerken als The Anatomy of Error of Die Onimasiologie der Dummheit. Op een sofa tenslotte zit een dom blondje naar een achterlijke macho te lonken naast een tafeltje waarop, behalve een nooit gekweekte zwarte tulp, een Ierse mok staat met de handgreep aan de binnenkant gebakken.

We zijn met Van Boxsel ingegaan tot het labyrint. 'Gij die hier binnentreedt', zegt Van Boxsel met Dante, 'laat alle hoop varen'.

Obsessie

Over de identiteit van degene die deze absurde academie heeft ingericht kun je twisten. Gaat het om iemand die Van Boxsel heet? In zijn encyclopedie spreekt de auteur over een kist, die bij zijn onverhoopte, vroege overlijden klaar staat voor het nageslacht: de verzameling van de 'dommoloog' annex 'dommosoof' die hij zelf is. Het is duidelijk dat in die kist Van Boxsels hoogstpersoonlijke Academie van de Domheid schuilgaat.

Aan de andere kant: The Anatomy of Error en Die Onimasiologie der Dummheit bestonden al. Raadpleeg www.bibliofind.com en je kunt ze zelf aanschaffen. Matthijs van Boxsel is niet de eerste dom-deskundige en hij zal de laatste niet zijn. Wat niets afdoet aan de, opgeteld en aftrokken, onafmetelijke waarde van zijn volstrekt monomane en aan betrekkingswaan grenzende verzameldrift van alles wat dom moet heten.

Waarom wijdt iemand een heel leven aan de domheid? Van Boxsel (van huis uit literatuur-historicus) zegt het zelf. 'Tot dan toe had ik fanatiek onderzoek gedaan naar verheven onderwerpen als melancholie, decadentie en het Unheimliche.' Toen las hij Robert Musils redevoering Über die Dummheit uit 1937. 'Opeens werd ik geconfronteerd met laksheid, kitsch en bijgeloof, zaken waar ik mij normaal gesproken verre van hield. Goed beschouwd vormden ze echter de banale keerzijde van mijn obsessie. De bittere ernst, het hooggestemde ideaal en de hang naar mysterie werden gecorrigeerd door humor, drogreden en paradox.' Van Boxsel nam zich niet slechts voor een schaduwkabinet van de wijsheid samen te stellen - een tegengif-apotheek als men wil - zijn doel lag dieper. Hij wilde de logica van die tegenwereld doorgronden, haar moraal, haar esthetiek. Waarmee meer dan een levenstaak zij omschreven.

Blijft nog steeds de vraag waarom Van Boxsels oog niet op wijsheid is gericht. Dan komt de encyclopedist van de domheid met een wel zeer toepasselijke Bijbelpassage: 'De wijsheid van de wereld is dwaasheid voor God' (1 Corinthiërs 3:19). Wil men de wereld dus met vrucht trachten te doorgronden, dan is dwaasheid de aangewezen, zo niet goddelijke invalshoek.

Matthijs van Boxsels onderneming - de wereld van de domheid volledig in kaart te brengen in zijn encyclopedie - moet dan ook bij voorbaat mislukt worden genoemd. Alleen al de zich steeds breder makende sterfelijkheid verspert de weg naar het welslagen. De encyclopedist zelf is niet dom genoeg om dat uit het oog te verliezen. Een encyclopedie is zijn Encyclopedie dan ook niet, hij laat het bij de tastende stukken die men 'essays' noemt.

Hij spreekt bovendien zelf over een karteringspoging op schaal 1:1, waarbij de kaart de wereld, waarin hij zelf staat, aan het oog onttrekt zodat men alleen nog domheid ziet. De dommosoof ontdekt dus zelf dom te zijn en vraagt zich meteen af: 'Wie is intelligent genoeg om zijn eigen domheid te begrijpen?'

Het essay is de meest intelligente vorm van denken zonder te weten. Men laat weg, men verduistert wat men niet weet. Ook - misschien wel juist - als het om domheid gaat. 'Mijn gefrustreerde speurtochten', zegt Van Boxsel zelfs, 'hadden uiteindelijk hun eigen falen tot onderwerp gekregen. De blinde razernij en verlammende schaamte over mijn eigen en andermans domheid werden de drijfveren van mijn bestaan.'

Hoe koel en registrerend Van Boxtel zich in de eerste regels van zijn boek ook noemt (hij spreekt van 'onsentimenteel), in deze woorden lees ik warmte en sentiment. Van Boxsel en zijn Encyclopedie van de Domheid kunnen dan bijna niet meer stuk.

Warmte en vertedering roepen ook de talloze geschiedenissen op die hij debiteert. Over de mannen die een gat groeven, zich afvroegen waar de uitgegraven aarde heen moest, en dat vervolgens in het zojuist gegraven gat lieten. De houthakker die de tak afzaagt waarop hij zit. Kampenaren die bij de bouw van hun kerktoren de trap vergaten en deze vervolgens tegen de buitenmuur timmerden. De Ouden die boomstammen een berg afsjouwden, eentje lieten vallen, zagen dat deze uit zichzelf naar beneden rolde en vervolgens alle boomstammen van beneden weer naar boven sjouwden, om ze het rolprocé dé te laten ondergaan. De in 1965 verschenen Vogelgids van Elsevier, in imitatie-slangenleer gebonden, passeert de revue, alsmede wetenschappelijke onderzoeken naar het soortelijk gewicht van een zoen, de zijwindgevoeligheid van de optelsom of de oppervlakte van God. Een opsomming die zich gemakkelijk laat aanvullen met even warme, even vertederende gegevens: televisiegeheim-agent Maxwell Smart, de domme tegenhanger van James Bond, die al blunderend het ene na het andere complot oprolt, de religie bij de eend volgens de negentiende-eeuwse dominee Masius, het 'gezellig op de prairiën samenwonende gras' volgens dezelfde predikant, 'the Ministery of Silly Walks' van Monty Python, de hilarische zondvloedtheorie van de in zijn domheid omnipotente, achttiende-eeuwse Dr. Woodward of, doorspringend in de historische kalverweide, Tommy Cooper.

Afgezien van de anderen, Cooper wordt in de Encyclopedie van de Domheid wel genoemd. Al verbaast het me dat Van Boxsel, boven een inderdaad klassieke act die hij op zijn onnavolgbaar grondige manier analyseert, niet de sterfscène van de Engelse goochel-komiek verkoos. Hartaanval op de bühne, publiek ligt dubbel en komt helemaal niet meer bij als de arme Cooper in zijn laatste ademtocht, kruipend het toneel verlaat en in de coulissen sterft. Puur drama, uit het leven gegrepen, puur als dwaze klucht bekeken. In het spiegelpaleis van Matthijs van Boxsels Encyclopedie zou het een anekdote zijn, die de schrijnende, smalle grens tussen domheid en intelligentie, ernst en luim, zoet, bitter en zuur symboliseert. Wáár begint begrip en intelligentie, waar begint begrip over alles of over niets, en vooral: waar houdt het op? Naar precies de grens tussen al die zaken is Van Boxsel op zoek. 'Op het punt waar de wetenschap van de domheid niet meer valt te onderscheiden van de domheid van de wetenschap begint de Encyclopedie van de domheid.'

Dialectiek

Blijven wij indachtig, gemeente, de woorden van 1 Corinthiërs 3:19: 'De wijsheid van de wereld is dwaasheid voor God'.

Gaande De encyclopedie van de Domheid gaat de zwarte Academievlag echter langer hoe nadrukkelijker wapperen. Steeds meer licht wordt erin opgeslorpt, er komt steeds minder uit. Niet verwonderlijk als men zich beweegt in de hoogst implosieve wereld van humor, drogreden en paradox. Lang weet Van Boxsel, door de opbouw in korte en in elkaar grijpende essays, helderheid en spanning vol te houden. Hij heeft de meest fantastische kennis verzameld en weet het plezier dat hij daarbij had op de lezer over te dragen. Wonderbaarlijk ook met hoeveel essayistiek gemak hij het een aan het ander vast weet te schrijven. Ronduit briljant zijn zijn analyses van het tekenfilmkonijn dat pas valt als het zich realiseert boven een afgrond te staan, van de zogenaamde ahah, de onzichtbare scheiding tussen tuin en omringende natuur die de Engelsen haha noemden, de vloeiende lijn in ei, peterselie en moraal, Dantes Hel, het verschijnsel van de triomfboog, het apotheoseplafond 'De triomf van de Goddelijke Voorzienigheid' van Pietro da Cortona door de ogen van zeventiende-eeuwer John Milton.

Vooral Van Boxsels woorden over dat plafond zijn tekenend. De hoop op hemelse zaligheid die erin bedoeld ligt, verdwijnt als men, als Milton, het op de vloer geschilderde zichtpunt verlaat. Ineens verandert de hele voorstelling in een chaotische tafereel, waarin Van Boxsel en Milton samen maar één ding zien: het Paradijs der Dwazen waar harmonie in klucht verkeerd.

Is de wereld dom? Volgens Plato zijn geluk en ongeluk 'als twee kruinen op één hoofd'. Hetzelfde geldt voor wijsheid en domheid. Maar als je de Bijbel er naast legt weten we waar we in deze koningskruin toe moeten slaan. Het ligt dan ook niet aan de invalshoek van Van Boxsel, dat hij zich in het laatste hoofdstuk van zijn Encyclopedie van de domheid lijkt te verliezen. 1 Corinthiërs 13:9 gebiedt immers ons op de dwaasheid te richten, ook al gaat het over keizerskleren, verkiezingen, democratie, vorstenhuis en landsbestuur. Waar in de eerste honderdtien pagina's van De encyclopedie van de domheid de onderwerpen noodzakelijk lijken te passen in Van Boxsels domheidsacademie, krijgen de laatste zeventig bladzijden het karakter van een boutade. Leuk soms, maar in tegenstelling tot de rest slaat hier de implosie toe. De dommosofische uitspraken worden vermoeiend, het leuke en hilarische wordt weer teruggegooid in de kuil waaruit het is opgegraven. Een paradox als 'De schijn van democratie is de democratie' draait zijn eigen nek om in de massa van soortgenoten, de zwarte vlak wappert niet meer vrolijk, maar blijkt veranderd in een lijkwade.

'De wereld van de domheid, schrijf Van Boxsel ergens, 'betreft een geheel eigen, in zichzelf besloten universum met een geheel eigen flora en fauna, een eigen taal, een eigen topografie en een geheel eigen existentieel principe. Ik voelde mij als een God boven zijn terrarium.'

Dit zijn de woorden van de schizofreen, de inderdaad monomane verzamelaar die het verband der dingen tot een uiterst implosief Verband der Dingen heeft verheven. De God van zijn eigen, in zichzelf besloten universum van de zwarte vlag, die alle licht absorbeert en niets reflecteert. Een man die een grammatica opstelt voor zijn universum die slechts door hemzelf volledig te begrijpen is.

Dat neemt niet weg dat ondanks de uiteenzettingen in de laatste afdeling van de Encyclopedie van de domheid een bizar, uiterst creatief, erudiet, heerlijk, ontregelend, hilarisch en verbijsterend boek overblijft.

'Aan domheid valt niet te ontsnappen', lezen wij in de Encyclopedie van de domheid. 'Maar wij kunnen van onze domheid een persoonlijke, unieke domheid maken. Als wij toch moeten falen, laten wij dan op een zo hoog mogelijk niveau falen. ( ... ) Laten wij van domheid onze sterkste kant maken.'

Een stichtende levensles, een aanstekelijk credo. Balsem voor de ziel van de domme - 'ik ben niet alleen'. Louterend voor de lezer die zich nog voor slim hield - 'Hee, ben ik toch dom?'

Matthijs van Boxsel: Encyclopedie van de domheid. Querido, 184 blz. ƒ65,75