Aanstippen en wegpoetsen

Als het pointillisme een hedendaags literair genre was, zouden de pointillisten James Salter eren als hun wegbereider. In de met de PEN-Faulkner prijs bekroonde verhalenbundel Schemering zet de auteur, herkenbaarder nog dan in zijn beide eerder in Nederland verschenen boeken (de briljante autobiografie Dwars door de dagen en de roman Spel en tijdverdrijf) zijn zinnen neer als stippen en contrasterende punten. In plaats van zijn exposé in een rechtlijnige betoogtrant en/of dialoog vorm te geven bouwt hij het geduldig op in korte, sterke zinnen met een minimum aan – dikwijls schijnbaar inconsequente – informatie. Hij poetst vooral ook veel weg, en laat de lezer een paar stappen achteruit doen om te concluderen dat, inderdaad, al die kleine accenten een geheel opleveren dat alleen van afstand zichtbaar verband vertoont.

Dat er niets toevalligs is aan die werkwijze maar dat ze onderdeel is van een uiterst doelgerichte stijl krijgt de kenner van die beide vorige boeken ook hier bevestigd. Salter probeert het universum waarin zijn verhalen spelen met zo karig mogelijke middelen op te roepen, en die methode werkt hier niet altijd; soms blijft het wat te schemerig en krijgt de lezer het verongelijkte gevoel dat hij te hard moet werken. Of zoals in het geval van het openingsverhaal, bij lezing waarvan irritatie over de leeghoofdige dialoog het wint van de waardering voor opbouw en sfeertekening.

Maar in de beste verhalen laat hij zien waarom het hoog tijd is dat een groter publiek hem een status gaat geven die hem van het stempel `writer's writer' afhelpt. Het verhaal `Twintig minuten' is wat mij betreft niet alleen het hoogtepunt van deze bundel, maar ook zo ongeveer iets wat Het Perfecte Verhaal benadert. Hier is alles goed, vanaf de openingsalinea: `Dit is een vrouw overkomen die Jane Vare heette, ergens in de buurt van Carbondale. Ik heb haar een keer ontmoet op een feest. Ze zat op een bank, met haar armen naar weerszijden uitgestrekt en een borrel in haar ene hand. We hadden het over honden.'

Hoe magistraal ook, niets in deze alinea wijst nog op het werkelijke gebeuren van dit verhaal, namelijk de dood van die vrouw, na een ongeluk met haar paard. Het dier komt al vallend bovenop haar terecht, `alles was kapot van binnen'. Hulp moet komen binnen twintig minuten, weet ze. Het zal niet gebeuren. Maar in die twintig minuten komen sommige details uit haar leven beangstigend beeldend voorbij. En dan verschuift het perspectief in de laatste alinea's tot iets wat alweer een afleidingsmanoevre schijnt, en laat de auteur het verhaal stollen tot iets ijzingwekkends dat zich niet laat navertellen.

Salter wijst de associatie van zijn werk met de `dirty realists' af omdat dat woord `dirty' hem niet bevalt. Dat klopt ook als je het associeert met `besmeurd' en `onderklasse'. Maar voor het overige is er in zijn soms schimmige wereld evenveel suggestie van dagelijkse dreiging, eenzaamheid en potentieel onheil voorhanden als in die van Carver en Ford. De beste van deze verhalen verdienen het gelezen te worden als unica; één per avond lijkt me de juiste dosering. Lees je ze achter elkaar dan vloeien de kleuren in elkaar over en werkt het belendende, hoe goed ook op zichzelf, soms als ballast. Schemering bevat enkele superieure verhalen, maar als totaal gelezen kan de bundel dan het effect hebben van een museumzaal vol pointillisten.

James Salter: Schemering. Uit het Engels vertaald door Else Hoog. Meulenhoff, 143 blz. ƒ32,90