Trou moet blijcken

Tijdgenoten van Guido Gezelle. Kunstbroeders en medepoëten. Je kunt zó honderd dichtende tijdgenoten van Hugo Claus opnoemen, de ene nog briljanter dan de andere, en stuk voor stuk onwrikbaar vertrouwend op de eigen onsterfelijkheid. Maar wie zou uit het hoofd tot honderd Vlaamse dichters komen van de generatie Gezelle? Tot Karel Lodewijk Ledeganck misschien, tot Albrecht Rodenbach en de oudemeisjes Loveling. Bij deze of gene zal de naam nog naklinken van de sentimentele Jan van Beers. Dan houdt het op. Onder de voeten van de overigen is zelfs de zoom van de eeuwigheid weggetrokken. Heeft iemand ooit gehoord van die andere priester uit Roeselare, Dominicus Cracco? Hij vertaalde de Ilias en `werd in hoge ouderdom krankzinnig'. Er zijn uit de namen van de vergeten dichters prachtige kwatrijnen samen te stellen –

Jan-Trankiliaen Slachmuylders

Eugeen Edouard Stroobant

Hippoliet Jan Van Peene

Jan Van Droogenbroeck

Bruno Josef Boucquillon

Karel Frans Idesbald De Flou

Augustin D'Huyghelaere

Napoleon Destanberg

– allemaal zangers uit de tijd van Gezelle. Alsof acht mislukte dichterslevens alleen voor zo'n dubbelkwatrijn de moeite waard waren.

Wie denkt aan een dichter bij de naam Emanuel Hiel?

Geboorte- en sterfjaar van Emanuel Hiel vallen bijna samen met die van Gezelle. Hij was als productief dichter en liberaal flamingant in zijn tijd een soort legende en zeker een mandarijn. Toen hij stierf werd er nog gezegd: `Als ene doodsklok galmde de droeve mare door Vlaanderen'. Tien jaar later al, in een monografie over hem uit 1909, luidde het: `Wat hij schreef, ligt reeds half onder het stof begraven.' Toch verscheen in 1934 nog een zesdelige uitgave van zijn gedichten. Hiel is met een eigen lemma vertegenwoordigd in de Moderne Encyclopedie van de Wereldliteratuur. In de jaren tachtig dook er zelfs nog een tweede monografie op.

Je komt in zijn omvangrijke werk nu en dan een bizar gedicht tegen of een briljant fragment, iets wat je bij Slachmuylders of Stroobant niet zo snel zal gebeuren. Je krijgt de indruk dat Hiel alle aanleg had om een behoorlijk dichter te worden, maar dat hij te snel tevreden was of te haastig. Hij rijmt en zingt en galmt uitbundig, geen gedachtevlucht lijkt hem te hoog, geen voorwerp van aandacht te nederig. Hij was wat men toen `een stoute geest' noemde. In zijn drift om poëtisch te zijn vergat hij meestal de poëzie. Hij beschikte over meer energie dan talent. Toch zitten er treffers onder zijn gedichten, waarschijnlijk als hij even niet oplette.

Vaak lijken zijn gedichten zomaar in het midden te beginnen en zomaar plompverloren op te houden. Of hij steekt van wal –

Bruisend zwalpt me over 't hoofd ene zee;

Wervelwind warrelt woest, rukt me mee...

– zonder ons te vertellen wie die `me' nu is. Het gaat om de val van iemand. Om een vermetele die de slavernij verbrak. Je denkt aan Lucifer, de gevallen engel. Je denkt aan Prometheus, de brenger van licht. Wie de bibliografie van Hiel er op nakijkt ziet dat hij aan zowel Lucifer als Prometheus een oratorium heeft gewijd. Hiel was een geliefd tekstdichter, grootleverancier van cantaten, hymnen en zangen, de librettist van beroemde componisten. (Om die reden leeft hij nog bescheiden voort in de encyclopedie.) Ik hou het er op dat dit korte gedicht een indikking is van zijn langere libretto's, een gedicht over Promifer of Lucetheus, helemaal eenduidig lijken me de typeringen niet.

De taal doet denken aan Bilderdijk, maar meer nog aan een vertaling door Boutens van een Aischylos-drama. De zon als hemelsalamander en het graf als `moeder van de helse leugen', 't is mooi. De slotregels

De liefde zelf, die zoete balsembeker,

Vlucht en verloochent de stervende hond

zijn zelfs magistraal. Ondanks de samenballingen heeft de tekst iets zó breeds en retorisch dat je hem zou willen zingen. Het gaat meer om de ruis dan om de betekenis, meer om de suggestie dan om de details. 't Verbaast je dan ook niet dat je, bij nader onderzoek, ontdekt dat Hiel een tijdlang `professor van Nederlandse Uitgalming bij de Koninklijke Muziekschool te Brussel' is geweest en dat zijn devies luidde: De Poëzie dient vooral gezongen te worden. Galm het uit.