Trisha Brown Company is wel erg braaf

Bijna twintig jaar geleden trad de Amerikaanse Trisha Brown voor het eerst met haar groep op in Nederland en zorgde met haar bruisende dansuitbarstingen in een, voor hier nieuwe, zeer ontspannen dansstijl, voor een groot enthousiasme en een toestromend publiek. De eerste jaren daarna werd de Brown-company dan ook een regelmatig terugkerende gast. Toen werd het even stil tot in 1987 Het Muziektheater het gezelschap opnieuw uitnodigde. En weer waren de reacties opgetogen, maar het was niet allemaal zó verrassend meer en de choreografieën werden wel wat eenvormig gevonden. Bij een bezoek vijf jaar later leek de spanning vrijwel geheel verdwenen. Nederland had inmiddels al met zoveel nieuwe dansvormen kennisgemaakt. Toch bleven Browns prachtige soepele en vloeiende bewegingen een lust voor het oog en imponeerde opnieuw de kundigheid waarmee ruimtelijke structuren werden opgebouwd, verweven en opgesplitst.

Nu is de groep van Trisha Brown te zien op het Springdance Festival, als vertegenwoordigers van de dansstroming in New York uit de jaren zestig toen daar de volstrekt nieuwe improvisatie en de release-technieken hun intrede deden. Er worden echter geen werken uit die periode gedanst, er is gekozen voor recentere stukken waarin wel dezelfde principes gehanteerd worden. Inmiddels leeft de choreografe in haar `muziek-periode'. Voorheen liet Trisha Brown zich niet speciaal inspireren door muziek, veel van haar werken werden zelfs in stilte uitgevoerd. Het lichaam, de dans in dat lichaam, moest zelf een eigen muziek creëren. Vanaf 1995 begon voor Brown een ontdekkingsreis in de muziek en maakte zij M.O. (Musikalisches Opfer) op muziek van Bach, een jaar later gevolgd door Twelve Ton Rose op de `Fünf Sätze' van Webern en vorig jaar deed Brown haar eerste operaregie, Monteverdi's Orfeo. Dat zijn ook de werken die nu tijdens Springdance te zien zijn. Dat wil zeggen delen uit M.O., delen uit Orfeo onder de titel Canto Pianto en het volledige Twelve Ton Rose.

Het werken met zulke toch niet eenvoudige composities blijkt Brown wonderwel af te gaan. Er is een hechte binding met de sfeer en constructie ervan zonder dat er sprake is van een letterlijke illustratie. In Canto Pianto is wel het verhaal van de onfortuinlijke Orpheus en Euridice te traceren maar het is allemaal heel abstract gehouden. Als fraaie, sfeerbepalende proloog is er een door de lucht tuimelende, zwevende, spartelende, ondersteboven lopende nimf, verschijnend in een grote hemelcirkel. Mooi en leuk maar net wat te lang uitgesponnen.

Verder heeft Canto Pianto dezelfde harmonieuze, ongeforceerde, natuurlijke impulsen volgende dansfrases als de beide andere werken en ook de als gestaag stromend water in elkaar overgaande lijnen en formaties. Mooi, mooi, heel mooi, maar naar mijn smaak allemaal toch té ontspannen, te losjes, te braaf, te veel lijkend op de uitvoering van heilige rituelen want er wordt constant met een loodzware ernst vederlicht gedanst. Ogen staren nietsziend in de ruimte, zijn half geloken of neergeslagen. Er is nooit een open blik, een fiere, energie uitstralende houding. De schouders hangen losjes naar voren, de voeten bungelen, de knieën zijn vaak half gebogen. Er is nooit een lange, gestrekte lijn in het been of in het lichaam als totaal. Wel zijn er vaak strak uit het lichaam stekende armen met houterige handen met vast bij elkaar gehouden vingers. Het is moeilijk je te blijven concentreren, ik betrapte mezelf er herhaaldelijk op aan iets heel anders te denken dan aan waar ik toch heel bewust naar keek. Misschien ook wel omdat geen van de dansers een uitgesproken persoonlijkheid toont. Dat doet Trisha Brown zelf wel, zoals bij het applaus bleek, waarbij ze voor zichzelf een kleine act gereserveerd heeft.

Voorstelling: Trisha Brown Company met Canto Pianto, muziek: C.Monteverdi; M.O., muziek: J.S. Bach; Twelve Ton Rose, muziek: A. Webern. Choreografie: Trisha Brown, kostuums: Burt Barr en Irié. Gezien: 21/4, Stadsschouwburg, Utrecht. Daar nog te zien 22/4.