Toedracht

Heeft de verkeersleiding op Schiphol op de juiste wijze gereageerd op de `may day-call' vanuit de cockpit? Of had men de bemanning naar een andere landingsbaan moeten sturen of naar het IJsselmeer?

Welke baan de piloot op 4 oktober 1992 ook had gekozen voor een noodlanding op Schiphol, de kans op een geslaagde landing moet in alle gevallen worden betwijfeld. Deze conclusie trekt de commissie over de noodvlucht. De snelheid van het ramptoestel, de windrichting, het gewicht, de marginale bestuurbaarheid - het zijn volgens de commissie factoren die er voor zorgen dat een succesvolle landing op de door captain Fuchs gekozen landingsbaan 27 ,,waarschijnlijk niet mogelijk was geweest''. De commissie voegt daar aan toe: ,,Het gebruik van een baan op Schiphol met een gunstige windrichting zou waarschijnlijk evenmin succesvol zijn geweest''. Waarom ondanks de ongunstige staartwind voor de Buitenveldertbaan is gekozen, valt volgens de enquêtecommissie niet meer te achterhalen. De commissie maakt de verkeersleiders het verwijt dat ze bij hun instructies aan de bemanning geen rekening hebben gehouden ,,met het feit dat het vliegtuig in een noodsituatie verkeert en beperkte manoeuvreermoge- lijkheden heeft''. Het gevolg hiervan was dat de opgegeven koers in de richting van de baan enkele keren niet tijdig werd gehaald. Volgens de commissie heeft de verkeersleiding geen bevoegdheid om een noodlanding op het water af te dwingen.