Technolease blijkt fiscaal cadeau voor Nederlandse Staat

Minister Zalm (Financiën) heeft alle reden content te zijn met de afloop van het onderzoek door Brussel naar de technolease tussen Philips en Rabo. Europees commissaris Van Miert maakte in twee jaar een bocht van 180 graden. Zalm niet.

Over de erfenis die topman Jan Timmer bij Philips naliet is de laatste jaren veel onvriendelijks opgemerkt. Wie daartoe behoefte voelt kan na gisteren een nieuw gedocumenteerd voorbeeld in zijn nadeel noemen: de technolease-deal die Philips zomer 1993 bij de Nederlandse staat wist af te dwingen.

Werd deze deal tot nu toe geïnterpreteerd als een kostbare zaak voor de overheid, waardoor Philips uit de financiële problemen kon komen, sinds gisteren is er een rapport van Europees commissaris Van Miert (mededinging) dat het tegendeel stelt. Uiteindelijk ontvangt de nationale overheid van Philips 68 miljoen gulden extra belasting dankzij de technolease. Een betaling die Philips zou hebben ontlopen als de technolease niet was toegepast, redeneert het rapport. Ergo: niet de staat is benadeeld, maar Philips.

Philips had zomer 1993 grote financiële problemen. Op de balans had het bedrijf echter technologische kennis ter waarde van 2,8 miljard gulden staan. Philips verkocht deze kennis aan de Rabobank. Daarna leasde Philips de kennis terug van de bank. De Rabobank betaalde Philips voor de kennis een bedrag ineens van 600 miljoen gulden. De bank kon de aankoopsom van 2,8 miljard over tien jaar (de duur van de lease-periode) van de winst aftrekken. Voor de Rabo, een van 's lands grootste belastingbetalers, een fiscaal interessante positie.

Uit deze gegevens concludeerden ambtenaren van Financiën, die in opdracht van hun toenmalige minister Wim Kok aan het rekenen sloegen, dat de staat voor circa 1 miljard gulden werd benadeeld. Nadat die som op het bureau van de minister was beland, wijzigde het kabinet augustus 1994 de belastingregels zodanig dat nadien een soortgelijke technolease-transactie van andere bedrijven met de Rabobank niet meer mogelijk was.

NRC Handelsblad publiceerde deze feiten over de Philips-technolease voorjaar 1997. Enkele maanden eerder had de Algemene Rekenkamer, zonder de getallen te noemen, uiterst kritisch over de technolease geoordeeld. De belastingdienst in Amsterdam had de deal driemaal op fiscaal-juridische gronden afgewezen. Pas na politieke pressie ging de dienst door de bocht.

De constructie was een vorm van staatssteun, meende de Rekenkamer, en was ten onrechte niet aangemeld bij de Europese Commissie. Die kan immers pas na een aanmelding beoordelen of de Europese regels (die bevoordeling van individuele bedrijven verbieden) zijn overtreden. Van Miert nam de niet-aanmelding van de Philips-technolease hoog op. Een ,,illegale'' daad, zei hij voorjaar 1997 – en hij begon een onderzoek.

Minister Zalm (Financiën) legde de Tweede Kamer inmiddels uit dat de ambtelijke berekeningen van de tegenvallers niet klopten. Het nadeel dat de fiscus in eerste instantie door de Philips-technolease leed (de verlaagde belastingafdracht door de Rabobank) werd later goedgemaakt door Philips, dat dankzij de constructie verhoogde winstkansen had en daardoor vanzelf op hogere belastingafdrachten zou uitkomen. De Kamer accepteerde deze uitleg. Ook nadat interne (blauwe) brieven van kabinetsleden uitlekten waarin werd geschreven dat het inzake de Philips-technolease om ,,eens maar nooit weer'' ging. Die zinsnede sloeg niet op de constructie zelf, werd later door betrokken bewindslieden gezegd: die sloeg op de procedure.

De brieven sterkten Van Miert in het vermoeden dat bedrijven waren gediscrimineerd. Ook de financiële uitleg van Zalm (de staat wordt niet benadeeld), imponeerde hem allerminst. ,,Als dat kan, moet men daarop in Nederland patent aanvragen'', riep hij tegen zijn (Nederlandse) ambtenaren, vastbesloten de constructie ,,tot op het bot'' te ontwarren. Van Mierts redenering, destijds: het is onmogelijk dat alle betrokkenen financieel worden bevoordeeld door een transactie waarvoor niemand hoeft te betalen.

Twee jaar later, vlak voor zijn definitieve vertrek uit de Europese Commissie, blijkt Van Miert echter al zijn scepsis te hebben verloren. Hij komt uit op precies de argumenten en redeneringen die Zalm hem al in 1997 voorlegde. Dat is voor Zalm onmiskenbaar een groot succes.

De minister werd vorig jaar, vlak voor de Tweede-Kamerverkiezingen, nota bene door zijn oude leermeester F. Rutten (oud-topambtenaar van Economische Zaken), ervan beticht dat hij had ,,gelogen tot-ie doodvalt'' in het technolease-dossier. Daar is niets van uitgekomen. Van Miert geeft hem op alle punten gelijk: de constructie was geen staatssteun, zij heeft de staat geen cent gekost, bedrijven zijn niet gediscrimineerd.

Of met dit politieke einde van de zaak ook een kruis kan worden gelegd over de hoog opgelopen discussie onder fiscalisten over technolease kan niettemin worden betwijfeld. Want: hoe kan het dat de ene groep deskundigen (ambtenaren van de belastingdienst, het ministerie van Financiën, de Algemene Rekenkamer) meent dat de constructie de staat circa een miljard kost, terwijl de andere groep (de Tweede Kamer, Zalm, Van Miert) stelt dat de staat geen enkel nadeel, of zelfs voordeel, van de deal ondervindt?

Dit meningsverschil kan worden verklaard uit één factor, waarover ook de Europese Commissie geen zekerheid blijkt te hebben verkregen. Dit betreft de vraag of Philips in Nederland belasting betaalt. Uit de berekeningen die ambtenaren van Financiën destijds in opdracht van Kok maakten (één ervan werd vorig jaar door deze krant afgedrukt) blijkt dat zij er voetstoots vanuit gaan dat Philips in Nederland geen belasting betaalt. Geheel onlogisch komt die veronderstelling niet over: waarom zou een multinational als Philips, met vestigingen in tientallen landen, nou juist zijn fiscale winst maken in een land (Nederland) dat erom bekend staat een van de hoogste tarieven winstbelasting ter wereld te hebben?

Uit de redenering die Zalm en Van Miert hanteren blijkt echter dat zij Philips als volwaardige Nederlandse belastingbetaler beschouwen. Het onderzoek dat Van Miert nu presenteert maakt niet helder of dit ook is vastgesteld. Van Miert meldt dat hij de fiscale gegevens van Philips over de periode 1990-1993 heeft mogen inzien; hij publiceert deze niet. Voor de fiscale effecten van de technolease zijn dit echter geen waardevolle gegevens, aangezien het technolease-contract tussen Philips en Rabo inging per 1 januari 1994.

Of Philips door toedoen van de technolease vanaf 1994 (meer) belasting is gaan betalen heeft dus ook Van Miert niet kunnen registreren. De berekening waarin hij laat zien dat de staat ten slotte 68 miljoen gulden wijzer wordt van de technolease is kortom een redenering, geen beschrijving van feitelijkheden. Dat zou ook niet hebben gekund: de technolease heeft een looptijd van tien jaar en loopt dus in 2004 af. Pas daarna kan het werkelijke fiscale effect worden vastgesteld.

Bij dit alles moet men zich bedenken dat de Philips-top zich vanaf eind 1992 het vuur uit de sloffen liep om politieke toestemming voor de technolease te krijgen. Jan Timmer bracht daartoe onder meer eind 1992 een persoonlijk bezoek aan het ministerie van Financiën. De nood was kortom erg hoog. En het is een goede vraag waarom Timmer zich destijds zo zou hebben ingespannen voor een deal die zijn bedrijf ten langen leste alleen maar geld zou kosten.

Timmer heeft er openlijk nooit iets over willen zeggen. Zoals bekend houdt hij zich thans bezig met het millenniumprobleem. Het is een kleine wereld. Want de ambtenaar die destijds bij de Rekenkamer het team leidde dat de technolease-affaire inleidde is al ruim een jaar bezig met een nieuw onderwerp: de wijze waarop de overheid zich op het millenniumprobleem voorbereidt.