Schimpen en schelden in een jonge democratie

In Duitsland zijn de parlementaire debatten soms heftig. Wat in de Tweede Kamer verboden is, mag in de Bondsdag worden gezegd: `Sie sind ein Lump!'

DE DUITSE DEMOCRATIE is jong. Zij is in haar huidige gedaante, die uit de late jaren veertig stamt, bovendien een importartikel dat min of meer verplicht in West-Duitsland is ingevoerd onder druk van de Angelsaksische en Franse winnaars van de Tweede Wereldoorlog.

De democratie, het parlementarisme, openbare politieke strijd als richtsnoer om te besturen, was als politiek systeem in Duitsland voordien verdacht bij grote delen van de intelligentsia en de maatschappelijke elite. In de jonge `nerveus-onvervulde' burgerlijke Kulturstaat die in 1871 onder leiding van Pruisen was ontstaan, en waarin Pruisen zelf tevreden was opgegaan, werd de democratie gezien als een rare egalitaire uitvinding van de Angelsaksen en de Fransen. Als een uitvinding van de politieke en economische vijanden op een wereldmarkt, waar het keizerlijke Duitsland als Verspätete Nation naar eigen smaak nog veel had in te halen en goed te maken. Wat dat betreft begon de nieuwe staatkundige Duitse creatie van eenheidskanselier Otto von Bismarck in 1871 aan een haast onmogelijke missie.

Bezwaren tegen democratische Gleichmacherei vormden nog een reden waarom de Duitse Bildungsbürger in het land van de denkers en dichters in het laatste kwart van de vorige eeuw, en het eerste kwart van de huidige, weinig ophad met het politieke stelsel van de `oudere', gearriveerde koloniale en industriële concurrenten in Londen en Parijs, die zich op het internationale parket als `vanzelfsprekende' en cynisch-ervaren eenheidsstaten gedroegen. Wie zo wil kan daaromtrent te rade gaan bij Thomas Manns in 1918 verschenen Betrachtungen eines Unpolitischen, waarin Duitslands grootste schrijver van deze eeuw van zijn twijfels over de democratie en de `verwestelijking' van zijn land geen geheim maakt.

Mann, dan al wereldberoemd dankzij romans als Buddenbrooks, zou later nog van mening veranderen. Maar in 1918, het jonge keizerrijk komt als verliezer uit de Eerste Wereldoorlog, is hij nog geheel representatief voor wat de Duitse Bildungsbürger dacht. Zoals blijkt uit dit citaat: ,,(...) Wat hebben we vandaag? Het niveau. De democratie. Die hebben we al! De `Verelendung', de vermenselijking, literarisering en democratisering van Duitsland zijn sinds circa twintig jaar al volop gaande! Waarom schreeuwt en agiteert men dan nog? Zou een scheutje conservatisme niet beter bij de tijd passen?' (Fischer-editie 1991, pag. 578).

Scheutje conservatisme? Er volgden een knalhard vredesdictaat van Versailles en even later een langdurige economische recessie die het in 1919 begonnen eerste Duitse parlementair-democratische experiment – de Republiek van Weimar (tot 1933) – in samenwerking met de rechtsnationalen, de KPD en de nazi's van Hitlers NSDAP de nek zouden omdraaien. Pas de naoorlogse West-Duitse Bondsrepubliek, kind van de Koude Oorlog en economisch en politiek begunstigd door een aanhoudende stevige wind in de rug, zou de democratie op Duitse bodem een nieuwe kans geven.

Belangrijk gegeven: de Bondsrepubliek bevond zich, anders dan Duitsland na 1918, aan de `zonzijde' van de geschiedenis. Haar parlementarisme ging als het ware politiek ook ,,verder' dan West-Duitsland zich overigens had moeten vernieuwen. Anders gezegd: Amerikanen, Britten en Fransen hadden, de blik gericht op de vijand in Moskou, in een bevolking die in overgrote meerderheid achter Hitler had gestaan, géén grote juridische en maatschappelijke zuivering georganiseerd. Maar de politieke tegenstellingen in de Bondsdag, tussen de regeringen-Adenauer en de oppositie (SPD), de polarisatie tussen rechts en links, tussen de Bildungsbürgerei en nieuwe Duitse generaties, waren tegelijkertijd duidelijk. Grote thema's waren er ook voldoende in het verdeelde Duitsland, waarvan het westelijk deel een vluchtelingenstroom uit het oosten moest verwerken en uit de oorlogsruïnes een aanloop naar het Wirtschaftswunder ging nemen.

Bovendien bleken de nieuwe West-Duitse burgers en kiezers wél een soort romantische waardering te hebben voor de vaak harde politieke confrontaties in de Bondsdag. Wat dat betreft leek de Bondsrepubliek, waar het debat over gisteren en eergisteren aanvankelijk erg moeilijk was (opa/oma en vader/moeder waren na 1945 immers veelal stilletjes opnieuw begonnen), in het parlement in Bonn gewend geraakt aan een `normaal' zij het soms `heftig' democratisch bestaan.

Want heftig was het parlementaire debat in Bonn, het voorlopige hoofdstadje aan de Rijn, vaak zeker. Aan grote woorden, aan plompigheden desnoods, ontbrak het zelden. Die verbale parlementaire krachtpatserij in een land dat heeft geleerd voorzichtig met zijn potenties om te gaan, zei misschien ook wel wat over de aanvankelijke onzekerheden en de naïviteit van de nieuwe Duitse politici. Hoofdpersonen in de parlementaire geschiedenis van de Bondsrepubliek zijn op dit stuk vooral, passief en actief, de (oud-)kanseliers Konrad Adenauer (CDU, '49-'63), Willy Brandt (SPD, '69-'74), Helmut Schmidt (SPD, '74-'82) en Helmut Kohl (CDU, '82-'98). En tegenvoeters en verbale geweldenaars als Franz-Josef Strauss (CSU), Herbert Wehner (SPD), Joschka Fischer (Groenen) en Otto Grad Lambsdorff (FDP). Wat deze heren elkaar, en anderen, de afgelopen decennia in de Bondsdag hebben toegevoegd, zou in de Tweede Kamer in Den Haag niet worden toegelaten, en dus ook niet in de Handelingen worden opgenomen.

Het boekje Politiker beschimpfen Politiker (1*) geeft een mooie bloemlezing over de afgelopen vijftig jaar. Naast de flamboyante Beierse minister en premier Franz-Josef Strauss mag de vroegere communist Herbert Wehner, zéér gevreesd om zijn bijtende tong en zijn scheldkanonnades als SPD-fractieleider, qua beledigingsfrequentie koploper heten. Strauss werd door de SPD'er Vogel ooit ,,Alpen-Churchill' genoemd en door kanselier Schmidt ,,brandstichter' alsook ,,de reïncarnatie van de chauvinistische kleine burgerij'. Brandt roemde in 1985 in de Bondsdag Strauss' politieke gaven, maar voegde daaraan toe dat het wel jammer was dat hij ,,steeds met zijn achterwerk omgooit wat hij net met hoofd en hart heeft opgebouwd'.

Over Wehner zei Strauss in '79: ,,Hij spreekt een onderwereldjargon dat hij van vroeger kent en nog meesterlijk beheerst.' Feit is dat Wehners verbale klappen dikwijls inderdaad veel van vuistslagen hadden. Een greep: professorale domkop! (tot de CDU'er Abelein); slijmjurk, papiersoldaat (Pappkamerad, tot CDU-fractieleider Barzel); de kanselier neemt graag een lauw bad (over SPD-kanselier Brandt); Lummel! (tot de CDU'er Hüsch); Sie Strolch (schooier, tot CSU-minister Höcherl); u bent een vlegel (tot de CDU'er Marin); Vuilspuiter! (tot de CDU'er Memmel); Sie sind ein Lump! (tot Carl Spranger, CSU, de latere minister voor ontwikkelingssamenwerking); u bent een varken, weet u dat? (tot de CDU'er Wohlrabe); Gaat u zich eerst maar eens wassen, u ziet er ongewassen uit! (tot de CDU'er Möller). De jonge Gerhard Schröder, heden bondskanselier, moet zulke dingen met genoegen hebben gehoord. In 1982 zei hij over de oude Wehner: Der Onkel hat immer noch mehr politisches Fingerspitzengefühl im kleinen Finger als seine potentiellen Nachfolger im Kopf.

Over de huidige Duitse kanselier zei de huidige minister van Buitenlandse Zaken, Joschka Fischer, ooit (1986) dit: Schröders Verhalten halte ich für töricht, um nicht zu sagen bescheuert, dieses Rumtaktieren. Es hat etwas sehr Schlüpfriges an sich, weil man ihm eigentlich an der Nasenspitze ansieht, dass es erstunken und erlogen ist, was er da erzählt.

Ook niet mis is wat SPD-erevoorzitter Hans-Jochen Vogel nog in 1996 over Schröder zei: Bij Gerhard Schröder ben ik er zeker van dat hij de macht wil. Waarvoor hij die dan wil gebruiken, is minder zeker.

(1*) `Politiker beschimpfen Politiker'. De tweede druk van dit boekje is uitgekomen in 1998 bij Reclam te Leipzig. (ISBN 3-379-01617-9).