Ook de meester zelf werkte soms houterig

De grote namen uit de kunstgeschiedenis hebben vaak gefungeerd als vergaarbak voor naamloze kunstwerken. Tot ver in de negentiende eeuw werden ongesigneerde en ongedocumenteerde schilderijen, beeldhouwwerken of tekeningen op grond van stilistische kenmerken maar al te gauw in verband gebracht met de belangrijkste vertegenwoordiger van een stijl of stroming. Tegenwoordig is de stijlkritiek genuanceerder en zijn de eertijds omvangrijk gedachte oeuvres van kunstenaars als Leonardo da Vinci en Rembrandt danig uitgedund. Het is dan ook opvallend dat zich in de studie naar het getekende werk van een Olympiër als Rafael een ontwikkeling in omgekeerde richting voordoet. Die wordt fraai geïllustreerd in een expositie in het Palazzo Te in Mantua van tekeningen en prenten van Rafael en zijn Romeinse tijdgenoten. Van de zestig tekeningen die daar onder Rafaels naam worden getoond, werd weinig minder dan de helft tot voor kort beschouwd als werk van leerlingen.

In het tweede decennium van de zestiende eeuw was Rafael in Rome een veelgevraagd leverancier van schilderijen en frescodecoraties, maar werkte hij ook als architect aan onder meer de nieuwbouw van de Sint-Pieter. In de tentoonstelling is een kort geleden ontdekte tekening te zien die zijn veelzijdige werkzaamheden illustreert. Na een recente restauratie van een blad met een figuurstudie voor een groot altaarstuk, bleek dat Rafael de achterzijde ervan heeft gebruikt om schetsjes te maken van delen van de plattegrond van de Sint-Pieter. Om aan al zijn verplichtingen te kunnen voldoen, beschikte Rafael over een groot atelier met medewerkers die hij grote zelfstandigheid moet hebben gelaten.

Giorgio Vasari, een tijdgenoot van Rafael, schrijft bijvoorbeeld dat diens leerlingen Gian Francesco Penni en Giulio Romano wandschilderingen in de Zaal van Constantijn in het Vaticaan uitvoerden. Rafael zelf had die opdracht door zijn voortijdige dood in 1520 – op 37-jarige leeftijd – niet meer kunnen voltooien. Een grote tekening die de compositie van de Slag van Constantijn bij de Pons Milvius in detail weergeeft, werd in het verleden steevast toegeschreven aan Penni. Maar Vasari vermeldt ook dat de opdracht voor de beschildering bij Rafaels leerlingen bleef omdat zij beschikten over de originele ontwerptekeningen die de meester zelf had gemaakt. Zo zal het, ook bij Rafaels leven, vaker zijn gegaan. En dat brengt de Weense Rafael-kenner Konrad Oberhuber ertoe in deze tentoonstelling een hele serie tekeningen voor uiteindelijk niet door Rafael uitgevoerde projecten toch aan hem toe te schrijven.

Door de herschikking van toeschrijvingen maken plotseling ook tekeningen van twijfelachtige kwaliteit deel uit van Rafaels oeuvre. Ze steken soms schril en houterig af tegen de beste werken van de meester, die de expositie ook toont: van vlot met de pen geschetste ontwerpen voor hele composities en delicate figuurstudies in rood krijt, tot ver uitgewerkte, soms ingekleurde, tekeningen als werkmodel voor een schilderij of een fresco. Juist door het verschil in kwaliteit is niet elke nieuwe toeschrijving even overtuigend en het is ook wel zeker dat het laatste woord daarover nog lang niet is gezegd.

Problemen van toeschrijving zijn van veel minder belang in het tweede gedeelte van de expositie. Daar wordt de ontwikkeling van Rafaels Romeinse leerlingen en navolgers getraceerd tot het jaar 1527, toen Rome werd ingenomen door keizerlijke troepen en er een voorlopig einde kwam aan haar positie als centrum van kunst en cultuur. Duidelijk wordt hoeveel invloed Rafael heeft gehad op de volgende generaties. Zo is er van de hand van Giulio Romano een liefst vier meter hoog `karton' – een werktekening op ware grootte – voor een altaarstuk met de Steniging van het heilige Stefanus, dat direct is geïnspireerd op een compositie van Rafael.

Maar ook waren er in de jaren twintig kunstenaars die weliswaar veel van Rafael hebben geleerd, maar diens harmonieuze, uitgebalanceerde classicisme steeds meer voor gezien hielden: Parmigianino bijvoorbeeld, van wie een groot aantal tekeningen wordt getoond, gekenmerkt door dynamische composities en figuren met onnatuurlijk verlengde ledematen; of Ugo da Carpi met zijn nerveus gemodelleerde figuren in prachtige chiaroscuro-houtsneden. Zelfs Giulio Romano, Rafaels favoriet, week uiteindelijk sterk af van het werk van zijn leermeester. Maar dat blijkt pas buiten de tentoonstelling, elders in het Palazzo Te – het magnifieke buitenverblijf dat Giulio, na zijn vertrek uit Rome, bouwde voor de hertog van Mantua. De zaal met op alle wanden en het gewelf fresco's van de Val der Titanen, is drukbevolkt met wild gebarende, groteske figuren: een voor Rafael ondenkbaar spektakel.

Tentoonstelling: Roma e lo stile classico di Raffaello; 1515-1527. Mantua, Palazzo Te. Di-zo 9-18.30u, ma 13-18:00 u. T/m 30/5. Inl. 0039 0376 369198. Catalogus, in een Italiaanse en een Duitse editie (Uitg. Electa), 426 blz., Lit. 80.000. De expositie is van 9 juli tot 19 september te zien in de Graphische Sammlung Albertina te Wenen.