`Humanitaire interventie' is lastige rechtvaardigingsgrond

Het VN-handvest verbiedt het gebruik van geweld tegen de territoriale integriteit van een staat. De NAVO rechtvaardigt haar acties met de term: humanitaire interventie. Een lastig begrip.

Gaat vrede altijd boven gerechtigheid? Vroeger was dat geen vraag. Hugo de Groot verdedigde al het recht met externe middelen op te komen tegen ,,tyrannieke gruweldaden''. De steun van de Europese grootmachten aan de Griekse onafhankelijkheidsstrijd tegen de Turken in de vorige eeuw wordt ook teruggevoerd op humanitaire interventie.

Het Handvest van de Verenigde Naties (1945) bracht echter een strikt geweldsverbod, al merken sommige volkenrechtsgeleerden op dat het Handvest humanitaire interventie niet expliciet verbiedt. In elk geval is het beroep op een humanitaire rechtvaardigingsgrond voor militaire actie sinds de oorlog zo vaak aan de orde geweest dat een geleerde het geweldsverbod in het internationale recht vergeleek met een doos van Pandora waarvan men nooit weet wat eruit komt.

Tekorten van het VN-mechanisme worden vaak aangevoerd als een verklaring voor humanitaire interventie. Volgens het Handvest is dit middel voorbehouden aan de Veiligheidsraad als deze oordeelt dat vrede en veiligheid worden bedreigd, het befaamde Hoofdstuk 7. Maar de werking van deze bevoegdheid is eerst gefrustreerd door de Koude Oorlog en vervolgens ,,is de crisis-telefooncentrale van de VN overbelast geraakt'', zoals The New York Times het in 1992 plastisch uitdrukte.

De vraag rijst hoe exclusief de bevoegdheden van de Veiligheidsraad eigenlijk zijn. Het Handvest bevat een compromis tussen universele en regionale systemen, zoals de NAVO. De bepalingen over regionale organisaties en legitieme zelfverdediging, noteerde de Amerikaanse volkenrechtsgeleerde Th. Franck reeds in 1985, zijn ,,aaneengesmolten tot een veelvuldig opgeëist recht van regionale organisaties om het recht in eigen handen te nemen en militaire actie te ondernemen zonder goedkeuring van de Veiligheidsraad, zelfs bij afwezigheid van een daadwerkelijke gewapende aanval''.

Wat humanitaire interventie onderscheidt van gewone militaire operaties zijn de gruweldaden waarover Hugo de Groot het al had: ,,daden die het geweten van de mensheid schokken'', zoals dat na de Tribunalen van Nurenberg en Tokio van na de Tweede Wereldoorlog heet. Voorzover al kan worden gesproken van een recht op humanitaire interventie kan het volgens sommige theoretici alleen worden ingeroepen om mensenlevens te redden op grond van de universele menselijke solidariteit. Het veiligstellen van burgerlijke en politieke rechten kan in deze optiek moeilijk worden aangevoerd als interventiegrond, want deze rechten moeten het hebben van de nationale context.

Het beginsel dat grove schending van mensenrechten juist geen puur-binnenlandse aangelegenheid is, heeft stevig voet aan de grond gekregen in het internationale recht. ,,Verschuivende opvattingen over soevereiniteit'', noemde de Adviesraad vrede en veiligheid dat in 1992. Toch blijft interventie in beginsel ongeoorloofd, concludeerden de Commissie van advies inzake volkenrechtelijke vraagstukken en de Adviescommissie mensenrechten in een gezamelijk advies aan de regering. Slechts ,,onder zeer uitzonderlijke omstandigheden kan een staat gerechtigd zijn humanitair te interveniëren in een andere staat''.

Wel zagen deze commissies een rol voor regionale organisaties zoals de West-Europese Unie of de OVSE nadere spelregels te ontwikkelen voor ,,bij voorkeur gezamelijk optreden''.

Een belangrijke eis die in de volkenrechtelijke literatuur wordt gesteld, is die van belangenloosheid, of de ,,oprechtheid'' van humanitaire interventie.

De internationale praktijk is weerbarstiger. De interventies tegen het Ottomaanse rijk in de vorige eeuw dienden bepaald ook financiële belangen, noteert de Groningse hoogleraar internationaal recht W.D.Verwey in een omvangrijk opstel over humanitaire interventie uit 1985.

De reddingsactie van Belgische paratroopers tijdens de Congolese burgeroorlog in 1964, die wel als het prototype van een gerechtvaardigde actie is afgeschilderd, had volgens Verwey de duidelijke bijbedoeling van steun aan het regime van Tshombe.

Het grote gevaar van een erkende doctrine van humanitaire interventie is natuurlijk dat het geweldsverbod van de VN verder gaat afglijden. Dat pleit voor een categorisch verbod, hoe wrang dat ook in de concrete situatie mag zijn.

In deze richting wijst de befaamde uitspraak van het Internationale Gerechtshof in de zaak van het Korfu-kanaal (1949). ,,Interventie heeft als instrument van machtspolitiek in het verleden geleid tot het meest ernstige misbruik'', verklaarde dit hof. ,,Het kan, wat ook de huidige gebreken van het internationale bestel mogen zijn, niet een plaats vinden in het internationale recht''.

De Korfu-zaak ging echter niet om hemeltergende etnische zuivering. In zo'n geval zou het Hof interventie wel eens niet zo absoluut hebben uitgesloten. Het is immers ook riskant wanneer het internationale recht de andere kant opkijkt, iedere greep verliest op de ontwikkelingen en irrelevant wordt als matigend element.