Fundamentalisten van het Noorden

Over een tulbandachtige hoofdbedekking met geknoopte kwastjes draagt ze een witte sluier. Haar schort en lange jas zijn van Indiase katoen met orientaalse bloemmotieven. Een Oosterse verschijning? Nee, een Hindelooper bruid uit de achttiende eeuw.

Menig bezoeker van de tentoonstelling `Sluiers en sjaals, over kleding en identiteit', die vorige week in het Fries Museum in Leeuwarden werd geopend, is verrast door de Oosterse stijl van de Friese bruid. In de tentoonstelling staan Friese klederdrachtkostuums uit de achttiende en negentiende eeuw naast eigentijdse kledingstukken uit islamitische landen. De overeenkomsten zijn opvallend, bijvoorbeeld bij een vrouw uit Jemen, die een glanzend, veelkleurig jak draagt, sprekend lijkend op het jak van de Friezin.

Het Friese kostuum is het enige in ons land dat de vrouw geheel bedekte. Deze klederdracht werd vanaf de zestiende eeuw tot rond 1900 gedragen door Friezinnen uit alle lagen van de bevolking. Daarmee volgden zij oudtestamentische wetten, die bepalen dat vrouwen hun hoofd tijdens gebed en eredienst moeten bedekken. Naar verluidt ging onder buitenlanders dan ook het gerucht dat Friezinnen kaal waren.

De Friezinnen gingen met de mode mee. In de negentiende eeuw werden veel dunne, uit angorawol gemaakte kleurige kasjmiersjaals bij de Friese klederdracht gedragen. Friese handelaren namen de wollen sjaals (sjaal is een Perzisch woord) vaak mee van hun reizen uit het Oostzeegebied. De sjaals, vaak met ingeweven of bedrukte bloemmotieven, werden als een soort mantel over het kostuum gedrapeerd. Ook van deze sjaals zijn op de tentoonstelling enkele fraaie exemplaren te zien.

In de zeventiende eeuw droegen de Friezinnen een zwarte huik of haik, een doek die vanaf het hoofd het hele lichaam bedekte en het gezicht deels overschaduwde. In de achttiende eeuw werd deze mantel alleen nog bij begrafenissen gedragen. De huik komt oorspronkelijk uit Noord-Afrika. Islamitische soldaten introduceerden de dracht in Spanje en de christenen namen deze mode over. Toen de Spanjaarden in de zestiende eeuw hun macht in de lage landen vestigden, raakte de haik ook hier in zwang. De huik, van licht kleurig katoen, wordt nu alleen nog in Tunesië gedragen.

Het Hindelooper rouwkostuum uit de achttiende eeuw valt op doordat de bovenste rok als een soort sluier van achter over het hoofd naar voren wordt getrokken. Hindelooper vrouwen rouwden soms wel acht jaar, waarbij elk jaar een lichtere tint in de kleding mocht worden gedragen. De rouwkleding doet sterk denken aan de Perzische chador, die om het hoofd wordt geplooid en het gezicht ten dele bedekt. De vergelijking met het zwarte habijt van de roomskatholieke `zusters' uit het Leeuwarder Bonifatiushospitaal, die dit kostuum tot in de jaren zestig droegen, is snel gemaakt. In beide gevallen gaat het om een `hoofddoek' als religieuze uiting. De non die Christus huwt en de kuisheidsbelofte aflegt, bedekt haar hoofd. Gieneke Arnolli, conservator textiel van het Fries Museum, wíl ook al die overeenkomsten tonen. ,,Hopelijk wordt de Oosterse kleding daardoor gewoner en minder vreemd'', aldus Arnolli.

Sluiers en sjaals, over kleding en identiteit, Fries Museum, Turfmarkt 11 Leeuwarden. Volw ƒ7,50, kind. tot 6 gratis, 7-14 ƒ2,50 en 15-18 ƒ5. Tot 1 april 2000. Open ma t/m za 11-17u, zon- en feestdagen 13-17u. Inl 058-2123001