Eigen praktijk van specialist moet sluiten

Medisch specialisten in de academische ziekenhuizen moeten op 1 juni hun particuliere praktijken sluiten. Ze worden daarvoor gecompenseerd met een aangepaste salarisschaal.

Ziekenhuizen en specialistenorganisaties hebben daarover deze week overeenstemming bereikt. Daarmee komt een einde aan een ruim twintig jaar durende discussie over het afschaffen van de particuliere praktijk, die academische specialisten naast hun ambtelijke aanstelling mochten voeren. In de acht academische ziekenhuizen werken zo'n drieduizend medisch specialisten.

De Landelijke vereniging van artsen in dienstverband (LAD) en de Orde van medisch specialisten (OMS) gaan vandaag hun leden informeren over het akkoord met de academische ziekenhuizen. Het voorziet in een salarisstructuur waarbij de beginnende medisch specialist maandelijks 8.000 gulden krijgt. Dit loopt via schalen voor onder meer academisch medisch (hoofd)specialist op tot 20.601 gulden per maand voor de hoogleraar die afdelingshoofd is. Deze salarissen worden op 1 juni 2000 met drie procent verhoogd.

Medisch specialisten die veel `diensten' moeten draaien of voor wie anderszins verzwarende omstandigheden gelden, kunnen een toelage krijgen van maximaal twintig procent van hun salaris. Overwerk wordt ook extra betaald. Er komt bovendien een overgangsregeling voor de academische specialisten die op dit moment een hoger inkomen hebben dan in de nieuwe regeling is voorzien.

Tot dusver mochten de medisch specialisten in de academische ziekenhuizen er naast hun (voltijdse) ambtelijke aanstelling een particuliere praktijk in het ziekenhuis op nahouden. Formeel was dit voorbehouden aan de hoogleraren in het ziekenhuis, in de praktijk werd dit ook aan andere medisch specialisten toegestaan. Deze in de jaren zestig door de Leidse hoogleraar A. Querido bedachte constructie diende om de academische specialisten een inkomen te bieden dat concurrerend zou zijn met dat van de specialisten in de andere ziekenhuizen. De regeling heeft vaak tot onvrede en ruzie geleid omdat veel specialisten voor de aanvulling van hun inkomen afhankelijk zijn van de luimen van de hoogleraar, die formeel de inkomsten uit de particuliere praktijk beheert. Sinds de jaren zeventig hebben bijna alle onderwijsministers vergeefs geprobeerd de particuliere praktijk te sluiten en het inkomensverschil op een andere manier op te lossen.