Een furie van haat brak uit in de koepelzaal

De Pruisische geest waarde er rond, het was symbool van de revolutie, een huis van de democratie. Het verval kwam razendsnel. Ambivalenties rondom een gebouw.

DE RIJKSDAG had maandag geluk. Toen de deuren opengingen voor de nieuwe bewoners was het Kaiserwetter in Berlijn. Een stralende zon aan een blauwe hemel maakte van het nieuwe parlement een zee van licht, dankzij de grote glazen koepel. De parlementariërs waren overweldigd.

,,Ik ben overmand'', reageerde de groene minister Andrea Fischer. De liberale FDP-voorzitter Wolfgang Gerhardt ,,bespeurde dat er iets nieuws'' begon. Even leek de donkere geschiedenis van de Rijksdag vergeten. Maar Bondsdagvoorzitter Wolfgang Thierse was de eerste om de tegenstrijdige historie van het gebouw in herinnering te roepen. Voor hem blijft het parlement de Bondsdag heten, die vergadert in het Rijksdaggebouw.

Hoewel bondskanselier Gerhard Schröder gewoon van Rijksdag spreekt (,,Reichstag gelijk te stellen met het Reich is net zo onzinning als Berlijn te verwarren met Pruisens Gloria en Duits centralisme''), verwoordde Thierse met zijn volhardendheid de mening van het andere deel van het parlement. Ten slotte was het een nipte meerderheid van de Bondsdag, die op 20 juni 1991 voor Berlijn als politieke hoofdstad koos; 338 leden waren voor, 320 tegen.

Aan het besluit over de verhuizing van Bonn naar Berlijn zijn ongekend heftige debatten voorafgegaan. Want Berlijn en de Rijksdag staan voor de geboorte, maar ook voor de dood van de Duitse democratie, voor de opkomst en ondergang van de Weimar-Republiek (1918-1933). Voor velen in Bonn vertegenwoordigde de oude hoofdstad het Pruisische militarisme (Wilhelminisme), de nazi-terreur, de Stasi-misdaden, de deling van Duitsland.

,,De erfenis die Berlijn heeft als hoofdzetel van de nazi's maakt het ongeschikt hoofdstad te worden van een democratisch Duitsland dat is ingebed in een verenigd Europa'', schreef Gräfin Marion Dönhoff in het gezaghebbende liberale weekblad Die Zeit. Berlijn zou als hoofdstad ,,verkeerde signalen'' uitzenden, aldus Dönhoff. Dat was vele Bondsdagleden en West-Duitsers uit het hart gegrepen. Wat was er verkeerd aan het provincialisme van Bonn?

Anderen meenden dat de spoken van Berlijn verdreven konden worden. Een vernieuwde Rijksdag kon de zetel van de Bondsdag (Tweede Kamer) worden, de voormalige Oost-Duitse Volkskammer zou kunnen worden gerenoveerd voor de Bondsraad (Eerste Kamer) en waarom zouden afgevaardigden niet hun intrek kunnen nemen in de gesaneerde kantoren van de vroegere SED (Socialistische Eenheidspartij Duitsland).

Toenmalig bondskanselier Helmut Kohl, de architect van de hereniging, sprak uiteindelijk de beslissende woorden. Oost- en West-Duitsers hadden in het verenigde Duitsland een veel betere kans om samen te groeien als de regering naar Berlijn verhuisde. Kohl vond dat de verworvenheden van de Berlijners tijdens de jaren van de deling een ,,bijzonder vertrouwen'' verdienden. Geen andere stad emotioneert de Duitsers zo als Berlijn, zei Kohl en zo trok hij vele weifelaars over de streep.

Thierse, die de Rijksdag weliswaar Bondsdag noemt, maar groot voorstander van de verhuizing was, stond maandag bij de inwijding van de Rijksdag uitvoerig stil bij de ambivalenties rondom het gebouw en probeerde vooral vooroordelen uit de weg te ruimen. Hij wilde niet ontkennen dat in 1914 de Pruisisch-militaire geest de Rijksdag in zijn greep had en de afgevaardigden ertoe bracht in te stemmen met de oorlogskredieten die de Eerste Wereldoorlog bewerkstelligden. Tegelijkertijd was de toenmalige Rijksdag democratischer dan menigeen dacht, want het kiesrecht maakte geen verschil meer tussen de bezittende en bezitsloze klasse.

De historicus Heinrich August Winkler wijst erop dat Duitsland het algemeen kiesrecht, ook al gold het slechts voor mannen, eerder had ingevoerd dan Groot-Brittannië of België. Bismarck, die in 1871 de eerste kanselier werd van het verenigde Duitsland, had al in 1866 het kiesrecht ingevoerd voor de Noord-Duitse Rijksdag. Deze Rijksdag, die toen nog niet in het gelijknamige gebouw zat, kwam in 1867 in Berlijn bijeen en uit de 19 Duitse staten en 3 vrije steden ontstond de Noord-Duitse Bond, die in 1871 (na de Frans-Duitse oorlog) opging in het Duitse Rijk.

In 1884 werd op initiatief van keizer Wilhelm I in de stromende regen de eerste steen gelegd voor het huidige Rijksdaggebouw. Aan het eind van de Eerste Wereldoorlog werd de Rijksdag het symbool van de revolutie. Toen op 9 november 1918 duizenden arbeiders en soldaten door de straten van Berlijn stroomden en het aftreden van de keizer eisten, riep de sociaal-democraat Philipp Scheidemann op het balkon de Duitse Republiek uit. Een jaar later kreeg de republiek, die in Weimar ten doop werd gehouden, een democratische grondwet en gelijk kiesrecht voor mannen én vrouwen. De Rijksdag gold vanaf die tijd als het huis van de parlementaire democratie.

De plechtigheid voor de vermoorde joodse minister Walter Rathenau werd er gehouden. Ook de overleden president Friedrich Ebert en minister Gustav Stresemann werden vanuit de Rijksdag naar hun laatste rustplaats gebracht. Maar in de roerige jaren twintig werd steeds vaker van een `republiek zonder republikeinen' gesproken. De economische depressie luidde uiteindelijk de ondergang van de democratie in Duitsland in.

,,Het razendsnelle verval begon toen in september 1930 de nationaal-socialistische fractie van 12 leden plotseling groeide tot 107'', schreef de historicus Golo Mann. ,,Nu brak alle furie van de haat uit in de koepelzaal. De Rijksdag hield eindelijk op te functioneren. De stemmen van het midden, de ouderwetsen, die opriepen tot achting van het parlement en waarschuwden, klonken als Stimmen der Vernunft in een gekkenhuis.''

Al in 1928 had Goebbels in de Rijksdag verklaard: ,,We komen als vijanden.'' Toen Hitler en zijn nazi's aan de macht kwamen op 30 januari 1933, was het gebeurd met de parlementaire democratie. Op 27 februari legde een brand, aangestoken door de Hollander Van der Lubbe, het gebouw gedeeltelijk in de as. Een maand later maakte Hitler met zijn schijnparlement in de tegenoverliggende Kroll-Oper een einde aan de Weimar-Republiek.

Na de oorlog lag de ruïne van de Rijksdag aan de westelijke kant van de Berlijnse Muur. In de jaren zestig renoveerde de architect Paul Baumgarten het gebouw. In 1995 pakte de kunstenaar Christo de Rijksdag in en trachtte zo de spoken uit het verleden te verjagen. Deze plek symboliseert de Duitse geschiedenis, die we niet kunnen negeren, zei Thierse. Er lässt keinen Schlussstrich zu. Daarvan zijn de Duitse parlementariërs zich bewust.