Beladen bestuur

WAARHEIDSVINDING en lessen trekken voor de toekomst. Dat was de opdracht van de parlementaire enquêtecommissie Vliegramp Bijlmermeer, die 14 oktober vorig jaar met haar werkzaamheden begon. Het vandaag gepresenteerde eindrapport van de commissie komt niet met het definitieve antwoord als het gaat om de waarheidsvinding. Niet alle vragen zijn beantwoord. Dat kan ook niet. Veel van de vragen die rezen, nadat de El Al Boeing op 4 oktober 1992 op de Bijlmer was neergestort, waren louter gebaseerd op vermoedens, en antwoorden blijven deels verborgen in de nooit teruggevonden cockpit-voicerecorder. Talloze vermoedens zijn nu niettemin wel ontzenuwd. Duidelijk is bijvoorbeeld dat geen sprake is geweest van een doofpotoperatie waarbij figuren in witte pakken een belangrijke rol zouden hebben gespeeld. Evenmin heeft de commissie aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van gevaarlijke lading die geheim moest worden gehouden. Zo bezien zou de conclusie kunnen luiden dat de bevindingen van de commissie geruststellend zijn, al moet gevreesd worden dat een aantal betrokkenen na ruim zes jaar dermate is gefrustreerd door de afhandeling van de ramp dat elk antwoord onbevredigend blijft.

Maar ook als de therapeutische functie van de enquête haar werk doet, is dit maar een deel van het verhaal. Afgezien van de geruststellende antwoorden van de commissie gaat het er nu vooral om hoe al die vragen en de onzekerheid bij bewoners en hulpverleners in de Bijlmer jarenlang hebben kunnen voortwoekeren. Kortom, hoe een ramp na de ramp mogelijk is geweest in een land dat zich beroept op zijn `transparantie'.

HET RAPPORT schetst een onthutsend beeld van het openbaar bestuur in Nederland. Maar liefst tien van de veertien ministers hebben meer of minder met de ramp te maken gehad. Maar ze wilden het niet van elkaar weten. Vanaf het moment dat de rampverklaring eind oktober 1992 werd ingetrokken en minister Dales (Binnenlandse Zaken) haar leidende rol opgaf, is geen sprake geweest van enige coördinatie. Met name de ministers van Verkeer en Waterstaat, Justitie, Milieuhygiëne en later vooral Volksgezondheid werden overspoeld met vragen uit de samenleving – en in veel mindere mate uit het parlement – maar ze vonden het nimmer nodig hun dossiers bij elkaar te brengen. Ook de premier zag zes jaar lang voor zichzelf geen taak weggelegd, zo de indruk wekkend dat hij zichzelf meer beschouwt als griffier van de ministerraad dan als zelfbewust voorzitter die de vrijheid heeft zelf zijn agenda te bepalen.

Met het oog op deze lichtzinnigheid op ministerieel niveau is het niet verbazingwekkend dat de (semi-)ambtelijke diensten dit gedrag al die jaren hebben gekopieerd, nadat de rookwolken letterlijk waren opgetrokken en de eerste (achteraf overigens onjuiste) informatie ,,onder de pet'' was gehouden. Het begint met het feit dat geen aangifte is gedaan van de vermissing van de cockpit-voicerecorder, hoewel `zwarte dozen' na een vliegtuigramp over het algemeen worden teruggevonden. Vervolgens wordt het technisch onderzoek uitgevoerd door organisaties en partijen die (zakelijke) belangen hebben, hetgeen de kwaliteit niet bevordert. In de tussentijd houden ambtelijke diensten informatie voor zichzelf omdat ze denken het zelf beter te weten of geen behoefte hebben aan externe consultaties. Echt pijnlijk wordt het, althans vanuit maatschappelijk oogpunt, als bewoners en hulpverleners na jaren met psychosomatische klachten komen en de ambtelijke diensten van het ministerie van Volksgezondheid zich blijven beroepen op oude onderzoeksrapporten en een `excuus' voor eigen bestwil aanwenden om de slakkengang van Rijswijk te rechtvaardigen.

Deze houding van uitvoerende en ambtelijke macht is met één woord samen te vatten: desinteresse. En de Tweede Kamer heeft het in meerderheid op z'n beloop gelaten. Ook de volksvertegenwoordiging heeft zich neergelegd bij een bestuurlijke cultuur die zij juist geacht wordt te controleren.

INMIDDELS DREIGEN op het Binnenhof de conclusies van de enquêtecommissie al weer verengd te worden tot de vraag of verantwoordelijke ministers politieke consequenties moeten verbinden aan het gesignaleerde falen. Het is geen onbelangrijk punt, maar het zou de aandacht niet mogen afleiden van het fundamentele probleem van het bestuurlijk onvermogen dat ook deze enquêtecommissie heeft blootgelegd. Als de komende tijd alle energie wordt gestoken in politieke afschermingsconstructies zullen de lessen voor de toekomst een theoretische exercitie blijven.

Natuurlijk zijn er door de conclusies van de enquêtecommissie politieke posities aan de orde. Als de commissie constateert dat er sprake is van traagheid en van onderschatting van gezondheidsklachten door lokale en landelijke overheden waardoor deze klachten in aantal en aard zijn toegenomen, kan dit straks in de Tweede Kamer niet politiek onbesproken blijven. Bij het aanwijzen van de direct verantwoordelijken heeft de commissie zich van subtiele teksten bediend. De conclusies verwijzen diverse keren naar gespreide verantwoordelijkheid.

Dat houdt het gevaar in dat straks gevlucht wordt in de bekende schuilplaats van de collectieve schuld. Het gevolg daarvan is dat geen enkele bewindspersoon nog kan worden aangesproken op de gemaakte fouten. Aan een nieuwe manifestatie van de vrijblijvende ministeriële excuuscultuur is even geen behoefte.