Hamel: dirigent én componist

Langzaam opent een deur om een sprankje zonlicht toe te laten. Weberniaans expressionisme, daar begint het mee, maar zodra Micha Hamel in La Porte (1999) op een tekst van Apollinaire uit Alcools (1906) de bariton laat zingen, is Poulenc niet ver meer weg. Vanuit eenstemmigheid dijt de muziek uit tot vierstemmigheid, om dan weer in te krimpen. Een tegenstelling is er ook tussen de elegante, serieus te nemen strijkers, en de onberekenbare spitse blazers.

De componist en dirigent Micha Hamel kreeg voor de serie `Jonge Nederlanders' carte blanche bij het kiezen van een ensemble en het samenstellen van het programma. De programma-opbouw bij het Schönberg Ensemble was zinvol en bijkans educatief. Want Henri Dutilleux's Les Citations voor hobo, klavecimbel, contrabas en slagwerk, stelt de lyrische hobo in lange lijnen centraal, en Jean-Marc Singier (1954) gaat in drie ensemblestukken uit de jaren 1989-1994 uit van het springerige slagwerk. Als optelsom van Dutilleux en Signier kom je dan vanzelf uit bij Hamel.

Signier is hier nog onbekend. Hij studeerde gitaar en slagwerk en dat laatste, echt Frans, met een hang naar exotiek: eerst Afrikaans in Dakar en vervolgens Iraans aan het Ethnomusicologisch Instituut in Parijs. Als componist is hij vooral een volgeling van Donatoni, bij wie hij een cursus volgde in Siena en zijn studie afsloot aan de Academia Santa Cecilia te Rome. Signier schrijft muziek die primair vanuit de beweging ontstaat, vol grappige geluidjes. Het lijkt alsof die is gecomponeerd met de gootontstopper: bubbelend, borrelend, schurend en schrapend. De uitvoeringen stonden op een hoog peil. In Poulenc's Le Bal Masqué stond het allemaal perfect onder elkaar, maar Signier was nog niet af.

Boeiend vond ik ook Peter Adriaansz' Om Jou (1999) voor sopraan, piano, viool, contrabas en twee slagwerkers. Zoals de tekst van La Porte de angsten van een kind in een hotel beschrijft, zo koos Adriaansz in teksten van Herman Brusselmans eveneens voor kinderlijke onschuld: een driedelige cyclus van kinderliederen (Kou van Jou, Kind en Soixante-Neuf) voor volwassenen, liefdesliedjes met een cynische kijk. De stijl is verwant aan die van de vroege Cage.

Adriaansz heeft genoeg aan weinig intervallen, slechts een kwart en een secunde. De muziek is zowel ingehouden lyrisch, variërend van lieflijk tot dreinerig, als ingehouden speels in een soort tedere wipjesmuziek. De componist verontschuldigt zich in zijn toelichting: `Of het stuk immoreel is weet ik niet, wellicht zal het allemaal wel meevallen.... We zijn onderhand wel wat gewend.'

Welnu, immorele kunst bestaat niet. Althans: goede kunst ontstijgt aan dergelijke waardeoordelen, alleen kitsch is immoreel. Wel is duidelijk dat de Franse zonnige muziek sneller afglijdt in vrolijke oppervlakkigheid dan de wrang-expressionistische uit Midden-Europa. Maar de spiritualiteit van de gekozen composities in dit fraai afgewogen programma stond garant voor een geheel kitschvrije muziek.

Concert: Schönberg Ensemble o.l.v. Micha Hamel, met Hubert Claessens (basbariton) en Francine van der Heijden (sopraan). Werken van Dutilleux, Singier, Hamel, Adriaansz en Poulenc. Gehoord: 20/4 Nieuwe Kerk Den Haag. Herh. 21/4 Concertgebouw Amsterdam. Opname EO voor Radio 4.