Er bestaat op scholen in de VS geen `epidemie van ...

Er bestaat op scholen in de VS geen `epidemie van vuurwapenincidenten'. Het gezaghebbende Amerikaanse Justice Policy Institute concludeerde vorig jaar op basis van cijfers dat de schietpartijen ,,geïsoleerde gevallen en niet de norm'' zijn. Er is over het algemeen sprake van een vermindering van criminaliteit onder jongeren.

De fatale schietpartij van gisteren, waarbij volgens de laatste gegevens 15 of 16 scholieren zijn doodgeschoten, is inderdaad een `geïsoleerd geval'. Want niet eerder vielen er zo veel doden bij een dergelijk drama. In Jonesboro (in Arkansas) werden vorig jaar maart vier scholieren en een lerares doodgeschoten door twee jongetjes van elf en dertien jaar die de school vanuit het struikgewas onder vuur namen.

Amerikaanse psychologen breken zich het hoofd over de vraag hoe het mogelijk is dat jongeren, en zelfs kinderen, in staat zijn om een slachting aan te richten onder medescholieren. De twee daders in Denver zouden zelfs giechelend op de leerlingen van de Columbine High School hebben geschoten. Neuropsycholoog Mark DeAntonio van de Universiteit van Californië vindt het gemak waarmee Amerikaanse jongeren aan wapens kunnen komen zorgwekkend. Wapens en jongeren, ,,een dodelijk mengsel'', aldus DeAntonio gisteren in een reactie op de schietpartij. Pubers, zei de neuropsycholoog, ,,zijn in hoge mate gevoelig voor uitsluiting of aansluiting'' binnen een groep.

Het voorval in Denver tart alle statistieken. Alleen in Groot-Brittannië vond een schietpartij van vergelijkbare omvang plaats. In maart 1996 vonden zestien kinderen en een onderwijzeres de dood in het gymlokaal van een school in het Schotse Dunblane. In dat geval was de dader echter geen kind, maar de 43-jarige Thomas Hamilton, een uitgerangeerde leider van de lokale padvindersvereniging, die uit frustratie de trekker overhaalde.

In Groot-Brittannië leidde `Dunblane' tot een aanzienlijke verscherping van de wapenwet. Het is nog maar de vraag of dat in de Verenigde Staten nu ook zal gebeuren. Na elke schietpartij waarbij jongeren betrokken zijn, laait de discussie op over de Amerikaanse wapenwetgeving - nu is dat niet anders. Maar pogingen om het wapenbezit in de Verenigde Staten aan banden te leggen, lopen telkens stuk op het verzet van de machtige wapenlobby, aangevoerd door de National Rifle Association of America (NRA), een organisatie die wordt voorgezeten door de inmiddels bejaarde acteur Charlton Heston. Het recht op wapenbezit is verankerd in de Amerikaanse grondwet - en daar moet iedereen met z'n handen vanaf blijven, onderstreept de NRA keer op keer.

President Clinton behaalde in 1993 een bescheiden overwinning op de NRA toen de zogeheten Brady-bill werd aangenomen door het Amerikaanse Congres. Deze wet voorziet in een wachttijd van vijf dagen bij de aankoop van een handwapen. In die periode kan worden nagegaan of de aspirant-koper een misdadig of psychisch verleden heeft. In de praktijk blijkt de Brady-bill weinig voor te stellen. Het is in de VS nog steeds eenvoudig om een wapen aan te schaffen. En jongeren kunnen voor een vuurwapen altijd terecht in de bureaula van hun ouders.

De juridische aanpak van wapenfabrikanten lijkt meer vruchten af te werpen. Twee maanden geleden stelde een jury voor een rechtbank in Brooklyn negen wapenfabrikanten aansprakelijk voor zeven schietpartijen waarbij zes mensen waren omgekomen. De zaak is vergelijkbaar met de juridische aanval op de tabaksindustrie: de afgelopen jaren zijn sigarettenfabrikanten veroordeelt tot het betalen van schadevergoedingen aan rokers met longkanker.

Vooral de duistere verkoopmethode van wapenfabrikanten werd aan de kaak gesteld tijdens de rechtszaak in Brooklyn. De fabrikanten zouden de markt overspoelen met wapens in staten met een soepele wapenwetgeving. Tussenpersonen kopen de wapens op en brengen ze illegaal naar staten waar strenge regels gelden, meende de rechter.